In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.1 wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:
aardgasarm: een verblijfsobject waar:
individuele verblijfsobjectgebonden voor ruimte- of waterverwarming bedoelde installaties geen gebruik maken van aardgas, uitgezonderd groen gas;
gekookt wordt zonder fossiele brandstof op een manier die niet meer fijnstofuitstoot veroorzaakt dan aardgas;
geen individuele verblijfsobjectgebonden gasaansluiting aan het door de netbeheerder beheerde aardgasnet aanwezig is; en
collectieve gebouwgebonden voor ruimte- of waterverwarming bedoelde installaties behalve tijdens piek- of storingsmomenten, geen gebruik maken van aardgas, uitgezonderd groen gas.
aardgasarm-quotiënt: een getal tussen de 0 en 1, dat uitdrukking geeft aan het aandeel van de jaarlijkse warmtevraag van de aan een collectieve ruimte- en/of tapverwarmingsinstallatie aangesloten woningen en/of wooncomplex die als gevolg van de subsidiabele activiteiten aardgasarm worden in de gehele warmtevraag van de aan die installatie aangesloten woningen en/of wooncomplexen;
piek- of storingsmomenten: momenten waarop de capaciteit van het lokale bronnet en de bijbehorende installaties om warmte voor gebruik in het vastgoed af te leveren onvoldoende is om in de warmtevraag van het vastgoed te voorzien;
warmtevraag: de hoeveelheid energie, uitgedrukt in Joules per jaar, die nodig is om de door de gebruiker van een verblijfsobject gevraagde warmtebehoefte te voorzien;
wooncomplex: een verblijfsobject met meerdere onzelfstandige woonruimten.
Hoofdstuk 3b
Artikel 3b.1a
Hoofdstuk specifieke definities
Onderdeel van Subsidieregeling duurzame Amsterdamse gebouwen