**1..** ’Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voorafgaande aan het jaar waarvoor deze geldt de begroting vast
**2..** ’Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden van de gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap
**3..** Het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten kunnen omtrent de ontwerp begroting hun zienswijze inbrengen bij het algemeen bestuur.
**4..** De ontwerp begroting wordt door de zorg van ieder der deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid van de Gemeentewet en artikel 100, tweede en derde lid van de Waterschapswet zijn van overeenkomstige toepassing.
**5..** Het dagelijks bestuur legt de ingekomen zienswijzen met zijn advies hieromtrent te samen met de ontwerp begroting ter besluitvorming voor aan het algemeen bestuur.
**6..** Nadat de begroting is vastgesteld zendt het dagelijks bestuur de begroting aan het algemeen bestuur van het waterschap en de raden van de gemeenten.
**7..** Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
**8..** Het bepaalde in het tweede tot en met het zevende lid is voor zover mogelijk mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.
**9..** Het bepaalde in lid acht is niet van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting waarbij in de omvang van het totaal bedrag, de som van de bijdragen van de deelnemers, geen wijziging wordt gebracht. Indien de vorige volzin van toepassing is, wordt de wijziging van de begroting na de vaststelling door het algemeen bestuur ter kennisname aan het algemeen bestuur van het waterschap, de raden van de gemeenten en gedeputeerde staten gebracht.
**10..** Het algemeen bestuur kan indien de omvang van het totaal bedrag als bedoeld in lid 9 niet wijzigt, in afwijking van lid 9, besluiten dat lid 8 wordt toegepast als sprake is van een aanzienlijke wijziging van een bijdrage voor een deelnemer en deze deelnemer verzoekt om toepassing van de zienswijze procedure als bedoeld in lid 8.
Hoofdstuk 10:
Artikel 30