Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 3

De grondslag voor subsidie

Onderdeel van Beleidsregels subsidie peuteropvang en VE 2020 gemeente Dalfsen

Het college stelt jaarlijks vóór 16 oktober het VE-jaarbedrag en het minimumbedrag voor het VE-jaarbedrag vast voor het volgend kalenderjaar. Het minimumbedrag geldt per organisatie. Het college kan vóór 16 oktober voor het volgende subsidiejaar een subsidieplafond vaststellen. Indien het college hierover niet voor 16 oktober van het lopende jaar een besluit neemt blijft de in het lopende jaar bestaande situatie m.b.t. het subsidieplafond ook voor het daaropvolgende jaar geldig. De grondslag voor de subsidie is het werkelijk aantal peuters en het werkelijk aantal uren dat gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Het college subsidieert: per bezette peuterplaats voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag maximaal 320 uren per jaar maal het door houder gehanteerde uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage over dit uurtarief. De gemeente verstrekt geen subsidie over het deel van het uurtarief dat boven het landelijke maximum uurtarief ligt. per bezette VE-peuterplaats voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag 640 tot 660 uren per jaar als volgt: 320 uur maal het door houder gehanteerde uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage over dit uurtarief over 320 uren. De gemeente verstrekt geen subsidie over het deel van het uurtarief dat boven het landelijke maximum uurtarief ligt; aanvullend 320 tot 340 uur per jaar maal het landelijk maximum uurtarief of maal het door houder gehanteerde uurtarief als dat lager is. per bezette VE-peuterplaats voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag 320 tot 340 uren per jaar maal het landelijk maximum uurtarief of maal het door houder gehanteerde uurtarief als dat lager is. Indien ouders als gevolg van een beperkte arbeidsovereenkomst van de minst werkende ouder aantoonbaar niet meer dan op één dag in de week gebruik kunnen maken van opvang met kinderopvangtoeslag, dan kan gebruik worden gemaakt van een gesubsidieerde plek voor peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag. Naast de in lid 4 genoemde subsidie stelt het college voor doelgroeppeuters een VE-jaarbedrag per bezette VE-peuterplaats beschikbaar. Deze subsidie wordt verstrekt voor doelgroeppeuters die een VE-peuterplaats bezetten, ongeacht of de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag. Indien de VE-peuterplaats niet het gehele jaar bezet is, wordt het jaarbedrag naar rato verstrekt. Voor dit jaarbedrag geldt een jaarlijks door het college vast te stellen minimum bedrag per organisatie. Houders innen zelf de ouderbijdragen en zijn verantwoordelijk voor het bijbehorende risico van niet-betalers. Samengevat wordt de volgende subsidie per geplaatste peuter per kalenderjaar beschikbaar gesteld: subsidie per peuter (uren per jaar) peuters van ouders ZONDER recht op kinderopvangtoeslag peuters van oudersMET recht op kinderopvangtoeslag reguliere peuters max. 320 uur x tarief houder minus ouderbijdrage over deze uren op basis van tarief houder geen subsidie VE-doelgroeppeuters 640 – 660 uur, waarvan 320 uur x tarief houder minus ouderbijdrage over 320 uren op basis van tarief houder plus 320 – 340 uur x landelijk max. uurtarief 320 – 340 uur x landelijk max. uurtarief* * daarnaast wordt voor deze peuters tenminste 320 uren per jaar afgenomen waarover kinderopvangtoeslag kan worden aangevraagd. Het aanvullende VE-jaarbedrag is in deze tabel buiten beschouwing gelaten.

Rechtspraak bij dit artikel