Wanneer een inwoner een probleem ervaart bij het verplaatsen in en om de woning, bekijkt het college tijdens het onderzoek in eerste instantie welke eigen mogelijkheden de inwoner heeft om het ondervonden probleem op te lossen. Zo zijn er diverse hulpmiddelen die als algemeen gebruikelijke voorzieningen aan te merken zijn. Te denken valt aan een wandelstok, een looprek of een rollator. Ook het gebruik van een reguliere buggy bij kinderen tot 4 jaar is algemeen gebruikelijk. Daarnaast is het denkbaar dat een inwoner besluit zelf een (tweedehands) rolstoel aan te schaffen. In geval de rolstoel slechts kortdurend nodig is (maximaal zes maanden), kan gebruik worden gemaakt van de tijdelijke uitleen via de Zvw. Woont de inwoner in een verpleeghuis op grond van de Wlz, dan is de instelling verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de rolstoel.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.3
Artikel 5.3.1
Het afwegingskader
Onderdeel van Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020