Pleegzorg is een vorm van jeugdhulp met verblijf waarbij een jeugdige (tijdelijk) verblijft bij en verzorgd wordt door een pleegouder of –gezin die begeleiding en een pleegvergoeding ontvangt van een pleegzorgaanbieder. Tussen pleegouder/-gezin en pleegzorgaanbieder wordt een pleegcontract gesloten.
Pleegvergoeding, toeslagen en vergoeding bijzondere kosten
De pleegvergoeding is bedoeld voor de kosten van de verzorging en de opvoeding van de in het gezin of bij pleegouder geplaatste jeugdige. De vergoeding bestaat uit een basisbedrag dat kan worden vermeerderd met een toeslag of verminderd met een korting. Een toeslag kan worden toegekend bij crisisplaatsing, bij de opvang van drie of meer pleegkinderen of de opvang van een pleegkind met een verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke beperking. Een korting kan worden toegepast voor de periode dat het pleegkind in verband met bijzondere omstandigheden tijdelijk elders verblijft. Zie ook artikel 5.1 en 5.2 van de Regeling Jeugdwet. De hoogte van het basisbedrag wordt jaarlijks vastgesteld door de Rijksoverheid, evenals het bedrag dat maximaal als toeslag kan worden toegekend. De pleegzorgaanbieder verstrekt de pleegvergoeding en beslist over de toekenning van toeslagen en toepassing van kortingen.
Een pleegoudervoogd dan wel een pleegouder die een pleegkind opvangt in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel, kan rechtstreeks bij de pleegzorgaanbieder ook een vergoeding Bijzondere kosten aanvragen, voor zover:
de kosten naar het oordeel van de pleegzorgaanbieder redelijkerwijs noodzakelijk zijn en niet voldaan kunnen worden uit de pleegvergoeding of toeslagen;
voor deze kosten geen uitkering op grond van een andere regeling kan worden verstrekt;
de kosten redelijkerwijs niet zijn te verhalen op de onderhoudsplichtige ouders.
Voorbeelden van kosten waarvoor een vergoeding Bijzondere kosten kan worden aangevraagd zijn een door school gevraagde ouderbijdrage, bijdrage voor een schoolreis, kosten voor zwemles voor het A-diploma, de aanschaf van een laptop/schoolboeken, van een fiets, van kleding in verband met een bepaalde beroepsopleiding of paspoort of Europese identiteitskaart.
De pleegzorgaanbieder is bevoegd tot bedragen van € 200 zelfstandig te beslissen op een aanvraag vergoeding Bijzondere kosten. Voor bedragen tussen de € 200 en € 500 moet de pleegzorgaanbieder overleggen met het college. Voor het toekennen van een vergoeding bijzondere kosten boven de € 500 is nadrukkelijk toestemming van het college vereist. De pleegzorgaanbieder kan de kosten die als vergoeding Bijzondere kosten aan pleegouders zijn toegekend, declareren bij de gemeente mits aan bovenstaande eisen is voldaan en de declaratie van een onderbouwing en financiële bewijsstukken is voorzien.
Netwerkpleegzorg, deeltijdpleegzorg en crisispleegzorg
Pleegzorg kan op verschillende manieren worden ingevuld. Binnen de pleegzorg heeft plaatsing van de jeugdige in een voor de jeugdige bekend gezin (netwerkpleegzorg) de voorkeur boven pleegzorg in een onbekend pleeggezin (bestandsgezin). Daarom wordt onder pleegzorgaanbieders het kindgericht werven gestimuleerd. Dit houdt in, dat de pleegzorgaanbieder actief op zoek gaat naar een pleeggezin in het brede netwerk van de jeugdige.
Wanneer een jeugdige slechts een gedeelte van de week bij een pleeggezin verblijft, is sprake van deeltijdpleegzorg. Het pleegkind brengt dan bijvoorbeeld alleen de weekenden of de vakantie door in het pleeggezin en de rest van de tijd in het eigen gezin of in een instelling. Daarnaast kan er sprake zijn van crisispleegzorg. In dat geval gaat het vaak om kortdurende en urgente opvang van de jeugdige, omdat de situatie waarin hij zich bevindt het niet langer toestaat dat hij nog bij zijn ouders verblijft. De jeugdige verblijft dan vaak bij een tijdelijk pleeggezin in afwachting van een definitieve plaatsing of terugkeer naar huis.
Uitvoering
Bij de start van de pleegzorgbegeleiding maken betrokkenen (de jeugdige, de ouders, pleegouders, de pleezorgaanbieder, de gemeente en eventueel de gecertificeerde instelling) afspraken over de doelen van de pleegzorgbegeleiding, de ondersteuning van de biologische ouder(s), coördinatie van zorg en wie het initiatief neemt voor evaluatiegesprekken en het opstellen van perspectiefplan. In deze evaluatiegesprekken wordt gekeken of de eerder gestelde doelen behaald of nog van toepassing zijn, of en zo ja welke vervolghulp/ begeleiding nodig is, wie daarvoor aanspreekpunt is (coördinatie van zorg) en indien de pleegzorg stopt (bijvoorbeeld omdat de jongere 18 is en daartoe besluit) hoe men terugkijkt op de hulpverlening.
Pleegzorg vanaf 18 jaar
Pleegzorg loopt standaard tot 21 jaar in plaats van tot 18 jaar. Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen vóór het 21ste jaar wanneer de pleegouders willen stoppen of het pleegkind dat wil. Een jongere kan vanaf zijn 18e elk moment hiertoe besluiten. Pleegzorg als vorm van verlengde jeugdhulp blijft mogelijk vanaf 21 jaar tot 23 jaar (verlengde pleegzorg). Eén van de wettelijke voorwaarden voor het inzetten van verlengde jeugdhulp is dat het jeugdhulptraject al vóór het 18e jaar is gestart (artikel 1.1 Jeugdwet). Dit geldt ook voor verlengde pleegzorg.
Om te bepalen of verlengde pleegzorg vanaf 21 jaar nodig is, is het belangrijk dat de betrokkenen (jongere zelf, ouders, pleegouders, pleegzorgaanbieder, sociaal team en eventueel de gecertificeerde instelling) rond de 20ste verjaardag van de jongere een evaluatiegesprek voeren waarbij het perspectief op de toekomst wordt besproken en afspraken worden vastgelegd in een plan. Omdat een jeugdige met 18 jaar voor de wet volwassen is en de pleegzorgrelatie kan beëindigen, dient een dergelijk gesprek waarbij het perspectief aan de orde komt bij voorkeur ook al rond de 17e verjaardag te worden gevoerd. Veelal neemt de pleegzorgaanbieder hiertoe het initiatief.
Hoofdstuk 6. › Paragraaf 6.2
Artikel 6.2.1
Pleegzorg
Onderdeel van Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020