Het college bekijkt in eerste instantie in hoeverre de inwoner op eigen kracht een oplossing kan vinden voor de problemen die hij ervaart op het gebied van regie en structuur in zijn dagelijks leven. Kan hij bepaalde zaken anders organiseren of inrichten of vaardigheden aanleren? Hierbij valt te denken aan het hanteren van een duidelijke vaste structuur in dagelijks terugkomende taken of het gebruik maken van een kalender voor de dag/weekplanning. Of kan de inwoner gebruik maken van handige digitale hulpmiddelen waardoor de inwoner (een deel van de) activiteiten weer zelf kan doen, bijvoorbeeld de kook-app die ondersteunt bij het doen van de boodschappen en koken voor mensen met een verstandelijke beperking of de GoOV-app die ondersteunt bij het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. Om deze zaken uit te gaan voeren of aan te leren kan (tijdelijk) ondersteuning van buitenaf nodig zijn. Ook kan er mogelijk een beroep worden gedaan op gebruikelijke hulp, zie bijlage 4 voor een overzicht met voorbeelden van gebruikelijke hulp in relatie tot individuele begeleiding. Binnen het bredere sociaal netwerk is het denkbaar dat er bijvoorbeeld buren of familieleden zijn die kunnen helpen bij het (samen) doen van de administratie of boodschappen, regelmatig een oogje in het zeil houden, structuur in de week aanbrengen, samen activiteiten ondernemen en zorgen voor een zinvolle invulling van (een deel van) de dag.
Het college beoordeelt verder in gesprek met de inwoner of er gebruik kan worden gemaakt van algemene voorzieningen. Bieden welzijnsactiviteiten een oplossing? Bijvoorbeeld de buurtpleinen (waar ontmoeting en activiteiten plaatsvinden), een cursus waardoor de inwoner zijn sociaal netwerk uitbreidt, een administratie-maatjes project, ondersteuning bij financiën of bureaucratische vragen door het sociaal juridisch servicepunt, gezelschap of ondersteuning van vrijwilligers, etc. Zie voor een niet limitatief overzicht van algemene voorzieningen bijlage 1.
Bij de afweging komt tevens aan bod of voor de ondersteuningsvraag aanspraak bestaat op ondersteuning op grond van andere wet- en regelgeving. Een belangrijk aspect daarbij is of bij de bestaande problematiek verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) te verwachten is door middel van behandeling. De stelregel hierbij is dat dan eerst behandeling wordt ingezet. In dat geval mag van de inwoner worden verwacht dat hij/zij een beroep doet op de behandelmogelijkheden vanuit de Zvw en dat de inwoner zich inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. Bijvoorbeeld behandeling bij een angst/paniekstoornis/straatvrees ter bevordering van de participatie of een revalidatietraject om de zelfredzaamheid te verbeteren. Een diagnose is niet leidend maar doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe begeleiding de behandeling eventueel kan versterken (en niet contraproductief is).
Het gaat bij behandeling om gerichte professionele interventies door een (para)medisch behandelaar, met specifieke deskundigheid, bijvoorbeeld een psycholoog, psychiater, ergotherapeut, specialist ouderengeneeskunde, of revalidatiearts. Het college houdt bij haar oordeel tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening rekening met de mogelijkheid tot het inzetten van een succesvolle behandeling.
Het kan voorkomen dat in bepaalde situaties behandeling en begeleiding naast elkaar worden ingezet (dan neemt bijvoorbeeld de begeleiding de taak tijdelijk over, totdat deze tijdens behandeling is aangeleerd), of dat tijdelijk Wmo begeleiding wordt ingezet om de inwoner toe te leiden naar behandeling. Ook kan begeleiding worden ingezet om tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of in te slijten. Beide vormen van ondersteuning dienen op elkaar te worden afgestemd.
Een ander voorbeeld is de beoordeling of persoonlijke verzorging onder de Wmo of de Zvw valt. Dit hangt samen met de aard van de ondersteuning, en de vraag of er sprake is van geneeskundige zorg of een hoog risico daar op. Bij begeleiding vanuit de Wmo gaat het om ondersteuning bij de ADL en niet om het overnemen van deze handelingen. Bijvoorbeeld om het stimuleren en aansporen van iemand met beginnende dementie om na het douchen schone kleding aan te trekken (‘met de handen op de rug’), en vanuit de Zvw betreft de zorg het daadwerkelijk wassen van deze persoon. Bij het innemen van de medicatie valt het enkel aanreiken en/of toezicht op het innemen van de medicatie waarbij er geen sprake is van (een hoog risico op) geneeskundige zorg onder de Wmo. Het is aan de wijkverpleegkundige om te beoordelen of er sprake is van (een hoog risico op) geneeskundige zorg en niet aan het college.
Verder kan bij andere voorzieningen gedacht worden aan bijvoorbeeld arbeidsvoorzieningen op grond van de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Wajong of Participatiewet (PW), of opvoedondersteuning voor ouders vanuit de Jeugdwet.
Hoofdstuk 5. › Paragraaf 5.6
Artikel 5.6.1
Het afwegingskader
Onderdeel van Beleidsregels Wmo en Jeugdhulp gemeente Nieuwegein 2020