1. Het is verboden om in het openbaar Gods Naam te misbruiken dan wel onwelvoeglijke taal te bezigen die kwetsend is voor groepen en personen zoals bedoeld in artikel 1 van de Grondwet.
2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, of indien de artikelen 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf
Artikel 2:47a
Vloeken en bezigen van onwelvoeglijke taal
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening