Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert het college van B&W de gedragscodes van de wethouders en de burgemeester op actualiteit, functioneren en de mate waarin deze naar behoren worden nageleefd. De burgemeester betrekt de oogst van deze evaluatie in de periodieke evaluaties van alle gedragscodes met de raad.
Toelichting:
De Gemeentewet schrijft voor dat de raad voor alle bestuursorganen in de gemeente een gedragscode vaststelt. In Zandvoort is afgesproken dat het college van B&W de codes ( voor de burgemeester en voor de wethouders) parafeert.
Het is raadzaam om op gezette tijden de tekst van de drie gedragscodes van Zandvoort – voor raad, wethouders en burgemeester – tegen het licht te houden: voldoen de formuleringen nog? Over welke onderwerpen worden de meeste vragen gesteld? Zijn de praktijkvoorbeelden voldoende herkenbaar? Is er behoefte aan een themabijeenkomst of andere vormen van gesprek? Op die manier blijft de gedragscode een levend document.
Belangrijk is dat erop wordt toegezien dat de drie gedragscodes daadwerkelijk worden nageleefd. Hierin zijn immers de regels voor politieke ambtsdragers opgenomen die zijn gebaseerd op de wet. Ze leggen de voorwaarden vast waaraan het handelen van politieke ambtsdragers minimaal moet voldoen. Als politieke ambtsdragers zich niet aan deze regels houden, komen zij daarmee als het ware onder het morele minimum dat zij met elkaar hebben afgesproken. Een schending van de gedragscode is een schending van de integriteit van de politiek.
Het toezien op de naleving van de drie gedragscodes is niet alleen een verantwoordelijkheid van de raad, maar een gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokkenen. Bijzondere rollen zijn weggelegd voor onder meer de burgemeester als voorzitter van college en raad, de fractievoorzitters, de raadsgriffier en de partij- c.q. afdelingsbesturen.
In Zandvoort zijn afspraken over de processtappen die de burgemeester, wethouders en raadsleden volgen in geval van een vermoeden van een integriteitsschending door een politieke ambtsdrager van de gemeente vastgelegd in de Procesafspraken over de handhaving van de integriteit van het gemeentebestuur Zandvoort 2020.
In de handhaving van de gedragscode zijn verschillende fasen te onderscheiden:
het bespreken van lastige integriteitkwesties;
het signaleren van vermoedens van schendingen van de gedragscode;
het eventueel onderzoeken van vermoedens van schendingen van de gedragscode;
het eventueel sanctioneren van schendingen van de gedragscode.
In iedere fase is het van belang om (1) onpartijdig, (2) terughoudend met publiciteit en (3) zorgvuldig te zijn. Alleen dan kan een rechtvaardige handhaving worden gegarandeerd. Indien is komen vast te staan dat een politieke ambtsdrager een regel van de gedragscode heeft overtreden, kan dit tot een sanctie leiden. Deze sanctie dient proportioneel te zijn. Bij het bepalen ervan spelen de aard van de schending en de context waarbinnen de schending heeft plaatsgevonden een belangrijke rol.
Voorbeeld uit de praktijk
Oefening:
Een wethouder houdt een blog bij op internet. Hij is bekend in de stad en zijn blog wordt veel gelezen. De wethouder geeft zijn ongezouten mening over allerlei onderwerpen, ook over onderwerpen die in de raad besproken worden. In zijn laatste blog suggereert hij dat een raadslid van een oppositiepartij mogelijk via de raad geld heeft geregeld voor een stichting waar hij zelf bij betrokken is. Is dit in overeenstemming met het uitgangspunt van zorgvuldige handhaving de gedragscode?
Antwoord:
Nee, dit is niet de manier waarop je een vermoeden van een schending van de gedragscode meldt. Deze manier van communiceren is in tegenspraak met artikel 5.3 van de gedragscode en de basisprincipes van de Procesafspraken over de handhaving van de integriteit van het gemeentebestuur. Als een wethouder vermoedt dat een raadslid zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan overtreding van de gedragscode, dient hij – eventueel na advies te hebben ingewonnen bij de gemeentesecretaris – hierover de burgemeester in te lichten.
In het algemeen geldt: partijbelang speelt geen rol bij het toezien op de naleving van de gedragscode. Gebeurt dat toch, dan is de kans bijzonder groot dat er onrecht geschiedt. Politieke ambtsdragers van alle partijen moeten dus de discipline opbrengen om bij vermoedens van integriteitkwesties boven de partijen te gaan staan.
Verder moeten alle betrokkenen bij een vermoeden van een schending van de gedragscode de grootst mogelijke terughoudendheid betrachten en de kwestie niet in een te vroeg stadium in de publiciteit brengen. Dit om te voorkomen dat er door media-aandacht al een veroordeling plaatsvindt van een politieke ambtsdrager nog voor er onderzoek naar het vermoeden van de schending heeft plaatsgevonden; een wellicht onschuldige politieke ambtsdrager heeft dan ten onrechte schade opgelopen en daarnaast kan de geloofwaardigheid van de politiek hiermee onterecht worden aangetast. Tot slot geldt dat als het rechtvaardig is om te sanctioneren, de maatregel passend moet zijn en in verhouding met de schending.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.3