Een raadslid accepteert geen faciliteiten en diensten van anderen die hem uit hoofde van of vanwege zijn functie worden aangeboden, tenzij:
het weigeren ervan het raadswerk onmogelijk of onwerkbaar zou maken en
tegelijkertijd de schijn van omkoping of beïnvloeding minimaal is.
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.4