Naar hoofdinhoud
1.. Als laag inkomen in de zin van artikel 36, eerste lid, van de Wet wordt aangemerkt een aaneengesloten ononderbroken netto maandinkomen dat gedurende de referteperiode niet meer bedraagt dan 110% van de bijstandsnorm voor gehuwden/samenwonenden en alleenstaande ouders of 80% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden. 2.. In afwijking van het gestelde in het eerste lid worden inkomsten uit arbeid buiten beschouwing gelaten voor zover deze lager zijn dan € 1.500,- netto in het jaar voorafgaand aan de referte-periode 3.. Bij nieuwkomers/statushouders wordt bij het bepalen van de referteperiode rekening gehouden met de ingangsdatum van de bijstandsuitkering (of ander inkomen beneden de 110%-grens) in Nederland en niet met het inkomen in het land van herkomst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel