Het zorgen voor een naaste die (langdurig) ziek is of beperkingen heeft, is onderdeel van het gewone leven. Veel mantelzorgers zijn ook goed in staat om de zorgtaken die op hun pad komen, uit te voeren. Mantelzorg kan daarbij ook een bron van zingeving zijn. Problematisch wordt het waar teveel last op één schouder ligt en de balans van de draagkracht en de draaglast van de mantelzorger doorslaat naar het negatieve. Er zijn grenzen aan wat een mantelzorger (zelfstandig) aan kan. Het eigen sociaal netwerk van de mantelzorger kan mogelijk worden ingeschakeld, maar dan moet men daar wel een beroep op kunnen en willen doen. Naast het eigen sociaal netwerk is daarom in gevallen waar draagkracht en draaglast niet in balans zijn, ondersteuning van elders nodig: hetzij door vrijwilligers, hetzij door beroepskrachten. Die ondersteuning kent twee vormen:
Gericht op het versterken van de mantelzorger zelf of het eigen netwerk , zodat de mantelzorger de zorg beter aan kan;
Gericht op het direct verminderen van de mantelzorglast door (een deel van) de zorgtaken (tijdelijk) over te nemen.
Het gaat er om dat deze ondersteuning een bijdrage levert aan de voorwaarden waaronder mantelzorgers in staat zijn hun zorgtaken uit te voeren. Cruciaal daarbij is de rol van de zorgverleners met wie de mantelzorger in de dagelijkse zorg voor zijn/haar naaste te maken heeft, zoals de huisarts, wijkverpleegkundige en buurtteammedewerker. Bij hen moet een mantelzorger terecht kunnen met zijn/haar vragen om ondersteuning.
Deze nadere regel heeft ook betrekking op jonge mantelzorgers: kinderen en jongeren die opgroeien in een gezinssituatie waarin sprake is van langdurige zorg voor een zieke of iemand met beperkingen. Jonge mantelzorgers praten niet gauw over hun zorgen, vaak weten ze ook niet waar ze terecht kunnen. Daarom is het belangrijk dat deze mantelzorgers actief worden opgezocht en ondersteund zodat ze gezond en krachtig kunnen opgroeien. De nadere regel is hier gericht op ondersteuning die eraan bijdraagt dat het kind/de jongere zo goed mogelijk een ‘gewoon’ leven kan leiden als andere kinderen en jongeren. En waar nodig extra ‘support’ kan vinden binnen de familie, bij een vrijwilliger, iemand met vergelijkbare ervaring of een beroepskracht.
Met deze nadere regel wil de gemeente uiteindelijk het volgende bereiken:
Mantelzorgers zijn in staat zijn hun zorgtaken uit te voeren op een voor hen passende wijze, rekening houdend met de individuele situatie en met erkenning van het feit dat er ook grenzen zijn aan wat mantelzorgers kunnen bieden.
Dit is uitgewerkt in de volgende doelstellingen:
Mantelzorgers kunnen informatie over voor hen relevante vragen rond het bieden van zorg/ondersteuning makkelijk vinden;
Professionele zorg- en hulpverleners die met mantelzorgers te maken hebben, erkennen en waarderen de mantelzorger in zijn/haar positie, zijn sensitief voor signalen van te grote belasting en bieden ondersteuning bij het verminderen van deze belasting (denk aan bespreekbaar maken van de eigen rol, versterken van het eigen netwerk, verwijzen naar respijtzorg) ;
In die situaties waarin mantelzorgers ondersteuning nodig hebben buiten het eigen sociale netwerk, is daarvoor een aanbod aan voorzieningen beschikbaar;
Ook voor jonge mantelzorgers is een samenhangend ondersteuningsaanbod beschikbaar.
Niet al het aanbod aan ondersteuningsmogelijkheden voor mantelzorgers valt onder deze nadere regel. Daar waar vrijwilligers worden ingezet, wordt verwezen naar de Nadere regel subsidie vrijwillige inzet voor elkaar.
Verder zijn er vanuit de Wmo ook maatwerkvoorzieningen die ondersteunend zijn aan mantelzorgers: hulp bij huishouding en respijtzorg in de vorm van dagbegeleiding en kortdurend verblijf (logeeropvang). Deze voorzieningen vallen buiten het kader van deze nadere regel.