In het geval een vordering op grond van de Pw of het Bbz is ontstaan doordat belanghebbende gedurende een bepaalde periode heeft verzwegen dat hij beschikt over vermogen dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens en de belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij, als hij wel tijdig aan zijn inlichtingenplicht zou hebben voldaan, tenminste over een deel van de betreffende periode recht zou hebben gehad op bijstand of inkomensvoorziening, wordt de vordering beperkt tot de bijstand of inkomensvoorziening die is verstrekt gedurende de periode dat belanghebbende van zijn vermogensoverschot buiten de bijstand of inkomensvoorziening had kunnen blijven.
Hoofdstuk 2.
Artikel 6.
Afzien van terugvordering bij verzwegen vermogen
Onderdeel van BELEIDSREGELS MET BETREKKING TOT BESLUITEN TOT HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING