a. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente (al dan niet vastgesteld op basis van artikel 1 lid 5 Boswet en die op grond van artikel 9.9 van de Wet Natuurbescherming geldt als bebouwde kom vastgesteld ingevolge artikel 4.1 onderdeel a van de Wet Natuurbescherming).
b. beschermde houtopstand: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een bijzondere leeftijd, schoonheid- of zeldzaamheidswaarde of een bijzondere functie voor de omgeving die daarom is opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 11 van deze verordening (thans bekend als: “overzicht waardevolle bomen”).
c. bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
d. bomen in particulier eigendom: alle bomen voor zover gelegen binnen de bebouwde kom met uitzondering van de bomen in eigendom van de gemeente Geldrop-Mierlo én die zijn gelegen in het publiek domein.
e. boom: een levend houtachtig, opgaand gewas met een diameter van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. Deze definitie is niet van toepassing op artikel 12 van deze verordening.
f. boomstructuur: lijnvormige beplanting van houtopstanden die een functioneel geheel vormen.
g. boomvlakken: begrensd gebied met houtopstanden die samen een functioneel geheel vormen.
h. boomwaarde: de waarde van een boom, uitgedrukt in geld, zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen) door een bij de NVTB aangesloten taxateur.
i. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die op plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
j. dunning: een selectieve velling die dient als onderhoudsmaatregel ter bevordering van de overblijvende houtopstand en/of onderbeplanting waarbij het natuurlijk verloop van het desbetreffende milieu in stand blijft.
k. gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
l. houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg.
m. kandelaberen: het tot op de hoofdtakken korten van een houtopstand.
n. knotten: het regelmatig terugsnoeien van bomen en struiken tot een vast punt boven de grond.
o. monument: een door de gemeente, provincie of het Rijk als zodanig aangewezen onroerende zaak ten aanzien waarvan een beperkingenbesluit, als bedoeld in artikel 1 aanhef onder b en 2° tot en met 5° Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken in de openbare registers is opgenomen.
p. noodkap: het direct vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde en/of direct gevaar voor persoon, dier en/of goed.
q. perceel: een stuk grond waarvoor één rechtsorde geldt en gezien de feitelijke situatie ter plaatse hoort bij de opstal.
r. vellen: rooien; kappen; verplanten; het voor meer dan 20% snoeien van de kroon of verwijderen van het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.