Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Algemene uitsluitingsgronden

Onderdeel van Beleidsregels Urgentieverordening Hollands Kroon 2020

Voor indeling in de urgentiecategorie bedoeld in artikel 2 van de urgentieverordening Hollands Kroon 2020, komen niet in aanmerking: 1. . Er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem. Hiervan is in ieder geval sprake als: de aanvrager niet minimaal zes maanden staat ingeschreven in het huidige woonruimte verdeelsysteem in gemeente Hollands Kroon; de huidige woning van de aanvrager in slechte staat verkeert; het huishouden van aanvrager te klein of te groot behuisd is; de aanvrager als gevolg van medische klachten niet meer in staat is om de huidige woning of de daarbij behorende tuin zelf te onderhouden; de aanvrager vanwege zijn werk naar de regio wil of moet verhuizen; de aanvrager op dit moment bij een ander huishouden inwoont; urgentie wordt aangevraagd in verband met zwangerschap; de aanvrager gaat scheiden of is gescheiden maar nog met de (ex-)partner in één woning woont; de aanvrager een conflict heeft met de buren; de aanvrager overlast ervaart waardoor hij de woning wil verlaten; de aanvrager financiële problemen heeft; 2. . De aanvrager kon het huisvestingsprobleem voorkomen of kan het huisvestingsprobleem op een andere wijze oplossen. Hiervan is in ieder geval sprake als: de aanvrager er niet alles, wat tot zijn mogelijkheden behoort, aan heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen; de aanvrager vanaf het moment dat de kans op dreigende dakloosheid voorzienbaar werd, niet aantoonbaar actief heeft gereageerd op passende woonruimten van woningcorporaties; de aanvrager vanaf het moment dat de kans op dreigende dakloosheid voorzienbaar werd, een passende woonruimte van een woningcorporatie heeft afgewezen; de aanvrager, gelet op zijn inkomen of vermogen, de middelen heeft om zelf in een oplossing voor het huisvestingsprobleem te voorzien; de aanvrager, gelet op de aard en ernst van het huisvestingsprobleem, binnen zes maanden zelf, gelet op zijn inschrijfduur als woningzoekende, geacht wordt een woning te kunnen vinden. 3. . Het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er een alternatieve oplossing mogelijk is, zoals een traplift. 4. . Het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden. Hiervan is in ieder geval sprake: bij woninguitzetting wegens huurschuld of overlast, veroorzaakt door één of meerdere leden van het huishouden van aanvrager; (gedwongen) verkoop van de woning; als aanvrager, zonder eerst te zorgen voor woonruimte voor hem en zijn huishouden, naar de desbetreffende gemeente is verhuisd; als de aanvrager gedurende de periode van twee jaar direct voorafgaand aan de aanvraag niet in een zelfstandige en/of volgens het bestemmingsplan voor permanente bewoning geschikte woning gewoond; als sprake is van een tijdelijke huurovereenkomst die afloopt. 5. . De aanvrager niet in staat is om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien. Een woningzoekende die niet tenminste in zijn bestaan kan voorzien lost zijn huisvestingsprobleem niet op door verhuizing naar een zelfstandige woonruimte.

Rechtspraak bij dit artikel