Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 9:

(ambtshalve) buiten invordering stellen van geldlening voor bijstand levensonderhoud

Onderdeel van Beleidsregel Besluit bijstandverlening zelfstandigen Midden-Groningen

1. Het college besluit (ambtshalve) tot buiten invordering stellen (van het resterend deel) van een geldlening voor levensonderhoud, indien de belanghebbende: a: gedurende 60 maanden zijn aflossingsverplichting voor de teruggevorderde bijstand (verstrekt op grond van artikel 10 Bbz 2004) onafgebroken en naar draagkracht is nagekomen, bij onderbreking van het terugbetalingsgedrag wordt de periode met de duur van deze onderbreking verlengd. Als sprake is van een lagere aflossing dan 50% van het meerdere inkomen boven de bijstandsnorm vermeerderd met de beslagruimte in de bijstandsnorm, wordt de geldlening eerst buiten invordering gesteld indien het bedrag overeenkomt met 60 maanden maal 50% van het maandinkomen boven de bijstandsnorm vermeerderd met de beslagruimte in de bijstandsnorm is afgelost. b: gedurende 60 maanden niet aflost op een niet-verwijtbare vordering en het niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment alsnog gaat verrichten; 2. Indien sprake is van vermogen en/of zekerheden waarmee de vordering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan, wordt de geldlening voor dat deel niet buiten invordering gesteld. 3. Het eerste lid geldt niet in geval er beslagmogelijkheden zijn of zekerheden noch door het college binnen 24 maanden verwacht kunnen worden. 4. Het eerste lid geldt evenmin voor vorderingen ontstaan door het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen. 5. Voorts geldt het eerste lid niet in geval het vermogen van de zelfstandige, bij de toekenning van de bijstand of nadien, de vermogensgrens van artikel 3 Bbz 2004 overschrijdt. Het bepaalde in artikel 32 Bbz 2004 geldt, voor zover van toepassing, ook voor de terug- en invordering.

Rechtspraak bij dit artikel