Naar hoofdinhoud
Het college kan de toestemming intrekken indien: de aanvrager zich niet houdt aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de toestemming voor de laadinfrastructuur; de laadinfrastructuur onvoldoende gebruikt wordt. Het college kan in dat geval ook het verkeersbesluit, waarbij de parkeerplaatsen voor het laden van elektrische voertuigen zijn aangewezen, intrekken. Kosten voor het verwijderen van de laadinfrastructuur en het beëindigen van het recht van opstal kunnen aan aanvrager worden doorberekend. Indien er een wegreconstructie plaatsvindt als gevolg waarvan de aangewezen parkeerplaatsen zullen verdwijnen zal het college samen met de aanvrager bezien of er een alternatieve locatie voor de laadinfrastructuur met bijbehorende parkeerplaats(en) in de directe nabijheid mogelijk is. Kosten hiervoor alsmede de reeds gemaakte kosten door de aanvrager in verband met de realisatie ervan zijn voor rekening van de gemeente, wanneer de wegreconstructie plaatsvindt binnen 5 jaar na het nemen van het verkeersbesluit voor de betreffende laadinfrastructuur. De aanvrager is gerechtigd om de werkelijke kosten voor het verwijderen of verplaatsen van een door de aanvrager aangelegde laadinfrastructuur tot een maximum van € 3.000,00 per te verwijderen, respectievelijk € 2.000,00 per te verplaatsen laadinfrastructuur bij de gemeente in rekening te brengen. Indien de werkelijke kosten meer dan 10% hoger zijn dan de bovengenoemde vergoedingen per laadinfrastructuur voor de verplaatsing of verwijdering, dan treden aanvrager en gemeente met elkaar in overleg over de in redelijkheid te vergoeden meerkosten. Kosten zijn voor rekening van de aanvrager wanneer de wegreconstructie later dan 5 jaar na het nemen van het verkeersbesluit plaatsvindt.

Rechtspraak bij dit artikel