Het college bepaalt na overleg met de aanvrager de locatie van de laadinfrastructuur en de aan te wijzen parkeerplaatsen. Het college toetst hierbij aan de volgende criteria:
de behoefte laadinfrastructuur moet blijken uit de behoefte van gebruikers binnen een straal van hemelsbreed 300 meter van de aangevraagde locatie;
er wordt geen laadpaal geplaatst binnen een straal van 300 meter rond bestaande laadinfrastructuur, tenzij aantoonbaar is gemaakt dat dit vanwege de grote behoefte bij gebruikers noodzakelijk is;
een laadpaal wordt alleen geplaatst op ondergrond in eigendom van de gemeente, danwel gronden waarop de gemeente een recht van erfpacht heeft en welke in openbaar gebruik zijn, met toestemming van de grondeigenaar;
de locatie van de laadinfrastructuur moet voldoende vindbaar en zichtbaar zijn;
de locatie moet het gebruik door meerdere gebruikers mogelijk maken;
de laadinfrastructuur moet beschikken over twee of meer aansluitpunten, waardoor meerdere parkeerplaatsen worden bediend;
de locatie betreft in eerste instantie bestaande parkeerplaatsen;
de laadpaal dient te worden aangesloten op het elektriciteitsnetwerk;
de doorgang voor ander verkeer (auto, fiets, voetganger, rolstoel etc.) dient gewaarborgd te blijven conform het gestelde in art. 2:10 APV;
de laadinfrastructuur moet ingepast worden in de bestaande openbare ruimte;
de laadinfrastructuur dient zo te zijn vormgegeven dat dit niet kan leiden tot ongeval en of letsel.