In afwijking van artikel 3 lid 2 van de Wet bedraagt de minimale afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een veehouderij of op of na 19 maart 2000 opgehouden heeft onderdeel uit te maken van een andere veehouderij in het gebied als genoemd in artikel 2 lid 1 van deze verordening:
binnen bebouwde kom 100 meter;
buiten bebouwde kom 50 meter;
ten opzichte van voormalige eigen inrichting 0 meter.
In afwijking van artikel 4 lid 1 van de Wet bedraagt de minimale afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2 lid 2 van deze verordening:
binnen bebouwde kom 50 meter;
buiten bebouwde kom 25 meter.
In afwijking van artikel 4 lid 1 van de Wet en in afwijking van artikel 4 lid 2 van deze verordening bedraagt de minimale afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object in het gebied als genoemd in artikel 2 lid 1 van deze verordening:
a ten opzichte van voormalige eigen inrichting 0 meter.