Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 5.

Algemene criteria

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Maasdriel 2020

Maatwerk is het op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van: zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger (respijtzorg), het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen; participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen; beschermd wonen en opvang. Het is aan de gemeente om een maatwerkvoorziening te verstrekken ter bevordering van de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt, voor zover er geen andere oplossingen voor de hulpvraag mogelijk zijn. Uitgangspunt voor een Wmo-verstrekking is niet louter de diagnose of de beperking van de cliënt. De Wmo 2015 betrekt uitdrukkelijk ook de eigen mogelijkheden van de cliënt of zijn sociale netwerk bij de oplossing van zijn probleem. De gemeente ondersteunt de cliënt waar hij beperkingen ervaart in zijn zelfredzaamheid en participatie in het maatschappelijk verkeer. De wet doet een beroep op de eigen kracht en eigen mogelijkheden van ingezetenen. Het uitgangspunt van de wet is dat mensen langer thuis blijven wonen met waar mogelijk hulp van hun eigen sociale netwerk en zo nodig aanvullende ondersteuning vanuit de gemeente. Voordat er een beroep wordt gedaan op publiek gefinancierde voorzieningen moeten eerst de eigen kracht en het sociale netwerk worden aangesproken. Zoals vermeld in artikel 5 van de Verordening betekent dit dat een maatwerkvoorziening pas aan de orde kan zijn als de cliënt zijn beperkingen of problemen niet kan verminderen of wegnemen met behulp van eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen. In elke afzonderlijke situatie beoordeelt de consulent de eigen kracht en mogelijkheden van de cliënt. Dit doet de consulent niet door de beperking als uitgangspunt te nemen, maar door juist te kijken naar wat de cliënt zelf en/of met hulp van zijn sociaal netwerk wel kan. Dit hangt onder andere af van het type ondersteuning dat wordt gevraagd en van de draagkracht van het sociaal netwerk. De gemeente verwacht van de cliënt dat hij de consulent actief informeert over personen uit zijn sociaal netwerk en wat deze personen voor hem kunnen betekenen op het gebied van zorg en ondersteuning. De consulent probeert de cliënt ook te ondersteunen in het betrekken van personen uit de sociale omgeving. Eigen kracht verwijst naar de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. Het college verwacht van de cliënt dat hij zich inspant om dat aan te wenden wat binnen zijn bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Eigen kracht is ook: het bevorderen van herstel (gebruik maken van behandelmogelijkheden); een beroep doen op andere wetten; een beroep doen op de aanvullende verzekering. Primair stimuleert de gemeente de cliënt zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Daarvoor kijkt de consulent naar de persoonlijke eigenschappen van de cliënt, zijn talenten en vaardigheden, zingeving in combinatie met zijn directe omgeving. De consulent beoordeelt of, en zo ja, in hoeverre de cliënt met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Onder gebruikelijke hulp wordt de normale, dagelijkse hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten verstaan. Het voeren van een gemeenschappelijk huishouden brengt immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich mee. Partners en inwonende gezinsleden staan elkaar bij in de normale dagelijkse zorg, zoals taken in het gezamenlijke huishouden, administratie, schoonmaken, elementaire zorgtaken, bezoek aan familie/instanties/arts, etc. De redelijkheid bepaalt wat als gebruikelijke hulp kan worden geduid. Wat redelijk is hangt af van de specifieke situatie van een cliënt en zijn huisgenoten. Iedere situatie is anders en vraagt om maatwerk. Daarbij is het CIZ-protocol2Zie CIZ Indicatiewijzer, versie 7.1, juli 2014. richtinggevend. In het kader van de huishoudelijke ondersteuning is het uitgangspunt dat de leefeenheid primair verantwoordelijk is voor het uitvoeren van alle huishoudelijke taken. Als de aanvrager huisgenoten heeft die huishoudelijke taken over kunnen nemen, worden zij verondersteld dit door een herverdeling van taken te doen. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een huishouding gezamenlijk verantwoordelijk is voor het huishoudelijk werk (ofwel: het draaiende houden van een huishouden) en dat ook alleenstaanden een huishouden voeren naast andere dagelijkse bezigheden (werk, vrije tijd, enz.). Dit betekent dat als diegene die gewend is het huishoudelijke werk te doen, hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en geldt voor alle huisgenoten van 23 jaar en ouder. Wanneer er gebruikelijke hulp van een gezond kind wordt verwacht, moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind voor wat betreft het verrichten van huishoudelijk werk. Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het specifieke kind en het feitelijke vermogen van dit kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. Er moet rekening mee worden gehouden dat een kind geen vervanger is ten aanzien van huishoudelijke taken, maar dat zijn of haar hulp kan leiden tot een vermindering van een eventuele indicatie voor huishoudelijke ondersteuning. De beleidsregels ten aanzien van gebruikelijke hulp van kinderen bij verschillende leeftijden in het huishouden: Kinderen van 0 tot 5 jaar: leveren geen bijdrage aan het huishouden. Kinderen van 5 tot 12 jaar (naar eigen mogelijkheden): kunnen helpen met opruimen; kunnen helpen met tafel dekken en tafel afruimen; kunnen helpen met de vaatwasser in- en uitpakken of afwassen en afdrogen; kunnen een boodschap doen; kunnen hun eigen kleding in de wasmand doen. Kinderen van 12 tot 18 jaar: kunnen dezelfde taken als kinderen van 5 tot 12 jaar verrichten; kunnen hun eigen kamer opruimen; kunnen hun eigen kamer stofzuigen; kunnen hun eigen bed verschonen. Jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar: kunnen taken behorende tot een eenpersoonshuishouden verrichten. Mantelzorg is meer dan alleen de alledaagse zorg voor elkaar. Iemand is mantelzorger als hij iemand lange tijd (meer dan drie maanden) – onbetaald – veel (meer dan acht uur per week) zorg geeft3Zie rapport Sociaal en Cultureel Planbureau “Informele hulp: wie doet er wat? Kerncijfers, pagina 3, december 2015.. Deze zorg is meer dan men normaal gesproken van elkaar kan verwachten. Gebruikelijke hulp valt niet onder mantelzorg. Gebruikelijke hulp of zorg is de dagelijkse zorg die huisgenoten (de echtgenoot/partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten) elkaar bieden omdat zij samen het huishouden voeren. Daar zijn zij samen verantwoordelijk voor. Mantelzorg betreft ondersteuning voor een naaste ten behoeve van diens zelfredzaamheid en participatie, die qua omvang en intensiteit de gebruikelijke hulp overstijgt en die rechtstreeks voortkomt uit de sociale relatie tussen personen. Mantelzorg wordt niet verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. De ondersteuning is vrijwillig, maar voelt voor de betrokkenen vaak als vanzelfsprekend. Gezien de intensiviteit van de ondersteuning en de vaak hoge mate waarin de cliënt afhankelijk is van de ondersteuning, is het met name bij mantelzorg van belang om inzicht te krijgen in de belastbaarheid van de mantelzorger. Om hier meer inzicht in te krijgen kan de consulent gebruik maken van bijlage 1 ‘Onderzoeken van (dreigende) overbelasting’ en de EDIZ vragenlijst ‘Erkende Druk door Informele Zorg’. Ook kan medisch of ander deskundig advies worden ingewonnen door de consulent. Als de belastbaarheid te gering is, wordt gekeken naar mogelijkheden ter ondersteuning van de mantelzorger door middel van voorliggende voorzieningen. Als dit de mantelzorger niet voldoende ontlast, kan (tijdelijk) een maatwerkvoorziening ingezet worden ten behoeve van het (op termijn) in stand houden van de mantelzorg. Respijtzorg is het tijdelijk overnemen van de zorg om de mantelzorger te ontlasten. Dit kan gebeuren in de vorm van dagbesteding en kortdurend verblijf. De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van mantelzorgers van cliënten zonder een Wlz-indicatie. Een manier om dit te doen kan het bieden van kortdurend verblijf zijn. Kortdurend verblijf is een maatwerkvoorziening en dient ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en vervangt niet het wonen in een instelling. De doelgroep die in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf ter ondersteuning van de mantelzorger bestaat uit: cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem, die niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, en die worden ondersteund door een mantelzorger die tijdelijk ontlast moet worden. Met het sociaal netwerk worden personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt bedoeld. Hierbij kan gedacht worden aan uitwonende kinderen, buren, vrienden, vrijwilligers e.d. De Centrale Raad van Beroep geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als voldaan wordt aan de volgende vier voorwaarden: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid en participatie, en; financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimum niveau. Het laatste criterium is daarbij nieuw. De gemeente moet nu gaan toetsen of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of iemand zelf een minimuminkomen heeft. Met de komst van deze uitspraak zullen de meeste badkamerrenovaties niet meer snel als een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden aangemerkt. De Wmo 2015 biedt geen grondslag om extra vermogens- en inkomensvoorwaarden te stellen aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening, naast de mogelijkheid om een bijdrage op te leggen als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 (zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 november 2019, ECLI:NLCRVB;2019;3535). Zie voorts bijlage 2 voor een niet-limitatieve lijst aan algemeen gebruikelijke voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn voorzieningen waarvan iedereen gebruik kan maken en waarvoor geen beschikking nodig is. Dit kunnen ook welzijnsvoorzieningen zijn. Daarmee bieden deze voorzieningen een snelle en adequate compensatie voor de beperkingen die iemand ervaart. De gemeente kent een aantal algemene voorzieningen zoals het maatschappelijk werk, de thuisadministratie en rouwverwerking Door de consulenten vindt een lichte toets plaats alvorens een cliënt gebruik kan maken van deze algemene voorzieningen. In de verordening is opgenomen dat deze voorzieningen niet vallen onder het abonnementstarief en dat hiervoor dus geen eigen bijdrage betaald hoeft te worden. Zie voorts bijlage 3. De gemeente draagt zorg voor afstemming met andere voorzieningen. Andere voorzieningen zijn in dit geval: De gemeente maakt afspraken met zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om te komen tot een integrale dienstverlening en te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijk kader. Als de cliënt dit wenst, zorgt de gemeente ervoor dat de cliënt ondersteund wordt richting het CIZ als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. De gemeente heeft afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en maatwerkvoorzieningen. Deze afspraken zijn vastgelegd in Bestuurlijke Samenwerkingsafspraken Veilig Thuis – gemeenten Gelderland-Zuid 2.0. De gemeente zorgt voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouders op grond van de Jeugdwet. Tevens zorgt de gemeente voor de continuïteit van ondersteuning onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt. De gemeente zet bij de toegang tot maatschappelijke ondersteuning in op vroegtijdige signalering van belemmeringen op het gebied van werk en inkomen van de cliënt en helpt de cliënt waar nodig om de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen –zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen en re-integratievoorzieningen– te verkrijgen. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 maakt onderscheid in de volgende maatwerkvoorzieningen: diensten; hulpmiddelen; woningaanpassingen; en andere maatregelen. Gemeente Maasdriel hanteert daarbij het volgende beleid: Het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden maakt langer zelfstandig wonen in de eigen leefomgeving mogelijk. De normering geeft aan hoeveel uren/minuten nodig zijn om het huis schoon en leefbaar te houden. De gemeente Maasdriel heeft haar normenkader gebaseerd op de ‘Wmo richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden, versie 1.0’ van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van december 20064Bij de start van de Wmo 2007 heeft in 2006 CIZ een interne “Wmo richtlijn Indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden” opgesteld. Deze interne richtlijn is toentertijd als handreiking aan de gemeenten verstrekt en door veel gemeenten overgenomen als afwegingskader voor de indicering van hulp bij het huishouden. Door voortschrijdend inzicht, jurisprudentie en ervaringen uit de praktijk is in 2011 door MO-zaak (tot 1 januari 2011 CIZ MO een geactualiseerde richtlijn Hulp bij het Huishouden opgesteld.. Dit document was bedoeld voor en is ook gebruikt door gemeenten als hulpmiddel voor het opstellen van gemeentelijke regelgeving. In 2007 werd huishoudelijke hulp immers een individuele voorziening in het kader van de Wmo. In de Wmo 2015 wordt huishoudelijke hulp door de rechter gezien als een maatwerkvoorziening. Er zijn nog altijd onderdelen ‘Wmo richtlijn Indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden’ die passen binnen de Wmo 2015. De gemeente Maasdriel heeft die ook overgenomen. De normtijden (de ‘omvangbepaling’) daarin zijn mede op basis van diverse maatschappelijke ontwikkelingen over het algemeen echter lager dan ten tijde van de AWBZ. Dat hoeft geen probleem te zijn. De CRvB concludeerde in mei 2016 onder andere, dat “een protocol tot omvangbepaling hulp bij het huishouden onafhankelijk en objectief moet zijn vastgesteld.” Zo kan de gemeente beschikken over een objectief vastgesteld normenkader en werkproces. Op basis van dit onafhankelijk en objectief onderzoek en bovengenoemde bevindingen en daaruit voortvloeiende aanbevelingen en adviezen, is het onderstaand normenkader opgesteld5Zie rapport Treve Advies d.d. 11 september 2018 inzake (ondersteuning) ontwikkeling objectief normenkader hulp bij het huishouden Wmo 2015.. Het betreft uitsluitend een tijdnormering6Een gemiddelde tijdbesteding per module in een ‘gemiddelde situatie’.. Onderstaand normenkader heeft betrekking op een ‘gemiddelde situatie’ in een éénpersoons- of meerpersoonshuishouden, waarbij er sprake is van een zekere mate van zelfredzaamheid in de dagelijkse praktijk. Als een gemiddelde situatie wordt beschouwd: 1 of 2 volwassenen in een huishouden, zonder thuiswonende kinderen; betreft een zelfstandige huisvesting, gelijkvloers of met een trap; er zijn geen huisdieren aanwezig; de cliënt is zelfredzaam om zijn woning dagelijks op orde te kunnen houden; de cliënt is (zeer) beperkt in mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de huishoudelijke activiteiten; de inzet of ondersteuning vanuit mantelzorgers of het sociaal netwerk is (zeer) beperkt; er is geen sprake van beperkingen of belemmeringen van de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of juist extra schoon moet zijn; de woning is niet extra bewerkelijk, extra omvangrijk of uitzonderlijk ingericht. Eén of meer van de onderstaande modules wordt toegekend aan een cliënt als uit onderzoek is gebleken dat hij daarvoor in aanmerking komt. De normtijd geldt voor de gehele module. Module Activiteit Normtijd Frequentie Standaard Indirecte tijd Aankomst en vertrek, administratie bij de cliënt, sociale interactie met de cliënt en signalering 15 minuten Per zorgmoment A Licht huishoudelijk werk A1 stoffen hoog en laag A2 stoffen op ooghoogte A3 schoonmaken keukenblad A4 overige kleine werkzaamheden 30 minuten 1 x per 2 weken 1 x per 2 weken 1 x per week 1 x per 2 weken B Zwaar huishoudelijk werk B1 schoonmaken toilet B2 schoonmaken douche B3 schoonmaken vloer kamer B4 schoonmaken vloer keuken B5 schoonmaken vloer slaapkamer B6 schoonmaken vloer hal B7 bed verschonen B8 ramen zemen binnenzijde B9 overige kleine werkzaamheden 75 minuten 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per week 1 x per 2 weken 1 x per week 1 x per week 1 x per 8 weken NTB C Was en strijk C1 wassen kleding en beddengoed C2 minimale strijk C3 drogen en opruimen van de was Maatwerk Maatwerk D Boodschappen D1 opstellen boodschappenlijst D2 doen van boodschappen D3 opruimen boodschappen Maatwerk 1 x per week 1 x per week 1 x per week E Maaltijden E1 tafel dekken/maaltijd klaarzetten E2 afruimen E3 opwarmen/bereiden maaltijd Maatwerk 1-2x per dag F Verzorging van kinderen Maatwerk G Regie G1 controle voedsel G2 dagelijkse organisatie huishouden G3 tijdelijk aanleren van werkzaamheden G4 structureel adviseren en/of instrueren Maatwerk H Extra ondersteuning H1 vanwege fysieke/psychische beperkingen of belemmeringen H2 vanwege aanwezigheid van huisdieren H3 omvang/kenmerken van de woning Maatwerk In dit normenkader zijn de modules Standaard Indirecte tijd, D Boodschappen, E Maaltijden en F Verzorging van kinderen toegevoegd. De module H vervangt de modules E, F, G en H, maar bevat dezelfde onderdelen. Daarnaast is tijdens het veldonderzoek in de gemeente Maasdriel gemiddeld 14,8 minuten ‘indirecte tijd’ gemeten bij in totaal 37 van de 50 cliënten. De term ‘indirecte tijd’ verwijst naar het feit dat de tijd niet (direct) toe te schrijven is aan huishoudelijke werkzaamheden. Dat neemt niet weg dat de tijd als redelijk wordt beschouwd. Hier wordt standaardtijd (richtlijn circa 3 minuten per week73 minuten x 50 weken (werkbare weken per jaar) = 150 minuten per jaar per indicatie, uitgaande van 1 zorgmoment per week.) voor de signaleringsfunctie aan toegevoegd. De huishoudelijk medewerkers moeten in staat zijn om dit zelfstandig op te pakken. Zij moeten eventuele misstanden signaleren en weten hoe zij in voorkomende situaties moeten handelen. Gesignaleerde misstanden kunnen leiden tot noodzakelijke uitbreiding van hulp bij het huishouden, maar gaan ook over huiselijk geweld, kindermishandeling, sociaal isolement en (financiële) uitbuiting. De huishoudelijk medewerkers hebben vooral te maken met de doelgroep ouderen. Binnen deze doelgroep is vroege signalering van eenzaamheid, ondervoeding en dementie heel belangrijk. Ook het attenderen van cliënt op doktersbezoek of het aansporen tot contacten onderhouden valt onder de signaleringsfunctie (preventieve werking). De huishoudelijk medewerkers die hun cliënten vrijwel wekelijks zien, zijn de aangewezen personen om een vinger aan de pols te houden. In incidentele situaties kan het zijn dat hiervoor een indicatie afgegeven dient te worden. Dit betreft de onderdelen: boodschappen, maaltijden, verzorging van kinderen, extra kamers en extra vervuiling. Boodschappen: wanneer de cliënt zelf onvoldoende gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen voor de primaire levensbehoeften die er in de gemeente Maasdriel zijn (boodschappendiensten van winkels, maaltijdbezorging door vrijwilligers aan huis), kan de medewerker de cliënt helpen bij de boodschappen: lijstjes maken, bestellen (via boodschappenservice) en/ of de in de winkels kopen en opbergen. In de afweging voor het al dan niet toekennen van een indicatie voor ‘boodschappen’ dient er rekening mee te worden gehouden of voorliggende voorzieningen financieel passend zijn voor de cliënt. Maaltijden: wanneer de cliënt zelf onvoldoende gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen zoals kant- en klaar maaltijden, maaltijdbezorging aan huis enz., kan de medewerker de maaltijd voor de cliënt bereiden. De gemeente kan besluiten om dit alleen als mogelijkheid te bieden in uitzonderingssituaties (bijv. bij speciale dieeteisen). In de afweging voor het al dan niet toekennen van een indicatie voor ‘maaltijden’ dient er rekening mee te worden gehouden of voorliggende voorzieningen financieel passend zijn voor de cliënt. De frequentie voor maaltijden is in veel voorkomende situaties 3x per dag. Als de hulp hiervoor moet komen, worden activiteiten zoveel mogelijk geclusterd waardoor de frequentie naar 2x per dag kan. Verzorging van kinderen: daarbij kan het gaan om verhogen van de normtijd voor licht en zwaar huishoudelijk werk en was en strijk, en/of de regie in een huishouden met één of meer kinderen onder de 12 jaar oud. Van hen wordt geen substantiële bijdrage verwacht aan de huishoudelijke taken, maar het huishouden wordt over het algemeen wel veel zwaarder belast dan wanneer het gaat om een één- of tweepersoonsleefeenheid. Van de partner (als die er is) wordt verwacht dat hij/zij gebruikelijke zorg levert, tenzij er sprake is van lichamelijke en/of psychische beperkingen of overbelasting. Extra ondersteuning: sommige cliënten hebben te maken met dusdanige fysieke en/of psychische beperkingen, dat zijzelf en hun leefomgeving meer en sneller vervuilen dan in veel andere situaties het geval is. Dit kan uitgewerkt worden in de volgende onderdelen: Extra ondersteuning door fysieke en/of psychische beperkingen of belemmeringen van de cliënt, namelijk: Extra was wegens incontinentie, overmatige transpiratie of speekselverlies Extra schoonmaak wegens rolstoelgebruik of knoeien door beperkingen/belemmeringen Extra ondersteuning wegens factoren, zoals: Extra schoonmaak taken door aanwezigheid van huisdieren De omvang/kenmerken van de woning: extra kamers (logeerkamer, hobbykamer, etc.), inrichting van de woning, bewerkelijkheid van de woning. Voor de meeste bovengenoemde onderdelen geldt dat ze weinig voorkomen en dat er situationeel behoorlijk verschillen kunnen zijn. Het betreft individueel maatwerk waarbij geen gemiddelde tijd wordt aangegeven. De normtijden vanuit het CIZ protocol kunnen hierbij wel als richtlijn dienen. Bovengenoemd normenkader geeft voor de verschillende modules een gemiddelde tijdsinvestering aan; gebaseerd op de gemiddelden per module die zijn voortgekomen uit het onderzoeken in de gemeente Maasdriel. De gemiddelde tijdsinvestering voor de schoonmaakactiviteiten gelden voor een gemiddelde cliënt, maar in werkelijkheid bestaat een gemiddelde cliënt niet. In elke individuele situatie zijn er eigen kenmerken, het eigen huishouden en de woning van de cliënt belangrijk voor het verlenen van maatwerk. Per situatie moet bekeken worden of er sprake is van factoren die een positief of negatief effect hebben op de benodigde inzet en het aantal uren hulp bij het huishouden. De volgende factoren vereisen maatwerk: In hoeverre de cliënt zelf nog in staat is om bij te dragen aan de uitvoering van de werkzaamheden. Dit is afhankelijk van de fysieke mogelijkheden (bewegen, bukken, lopen, reiken etc.), maar ook de lichamelijke conditie om activiteiten vol te kunnen houden spelen hierbij een rol. Het kan ook zijn dat het deskundigheidsniveau van de hulpen van invloed is op de tijdsbesteding, omdat mensen met zwaardere problematiek ook langer thuis blijven wonen. Ook is het goed om te letten op de gevolgen van de problematiek die cliënten hebben. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van visuele beperking, verslaving, bedlegerigheid, benauwdheidsklachten, het ondergaan van chemo’s e.d. Huisdieren kunnen zorgen voor extra vervuiling. De inrichting van de woning (bijv. veel prullaria in de vensterbanken) kan extra tijd vergen. Een extra grote woonoppervlakte kan meer tijd vergen met betrekking tot het stoffen en schoonmaken van de vloeren. Het kan ook zijn dan de woning bouwkundig meer bewerkelijk is, dat het een stoffig huis betreft e.d. Daarnaast verricht de gemeente reeds maatwerk op de volgende onderdelen: als de cliënt aan een deel van de module voldoende heeft, wordt er naar rato minder tijd toegekend (bijvoorbeeld de helft van de normtijd); als de module voor een cliënt vanwege de aard, ernst en duur van zijn beperkingen niet toereikend blijkt/is, kan de module naar rato meermaals worden toegekend (bijvoorbeeld anderhalf keer of tweemaal). Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimtes delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door één van de anders bewoner(s). Hulp bij het huishouden heeft dan alleen betrekking op de eigen woonruimte(n) van de cliënt. In geval van kamerverhuur is de (mede) huurder geen huisgenoot van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht. Huishoudelijke hulp is niet aan de orde in vakantiewoningen, tweede woningen en hotels/pensions. Voor cliënten die huishoudelijke hulp als zorg in natura ontvangen bestaat de mogelijkheid om gebruik te maken van de “Grote schoonmaakregeling”. Hiermee kunnen zij tweemaal per jaar voor niet reguliere werkzaamheden voor minimaal 2 en maximaal 4 uur aaneengesloten tegen een gereduceerd tarief van € 4,80 per uur huishoudelijke hulp inhuren. Voor de afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet met betrekking tot de persoonlijke verzorging, is bepalend of er sprake is van een behoefte aan ‘geneeskundige zorg of een hoog risico daarop”. De wijkverpleegkundige beoordeelt of er sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Is dat het geval, dan vindt bekostiging plaats vanuit de Zorgverzekeringswet. Is dat niet het geval, dan is het aan de gemeente om te beoordelen of er aanspraak is op ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Met ingang van 1 januari 2015 kunnen cliënten aanspraak maken op persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met een behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Het gaat dan in deze gevallen niet om het daadwerkelijk douchen en aankleden van de cliënten, maar om begeleiding hierbij. Hulp bij de maaltijd valt onder de Wmo 2015 als de zorg noodzakelijk is ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Onder de Wmo 2015 kan de hulp bestaan uit: Aansporen tot het bereiden van een maaltijd; Het bereiden/opwarmen van een maaltijd; Het assisteren bij het nuttigen van een maaltijd. Hulp bij de maaltijd kan worden geboden via algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. Welke voorziening noodzakelijk en compenserend is, hangt af van de individuele omstandigheden. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: boodschappendienst maaltijdservice. Om te kunnen spreken van een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1.11 Wmo 2015 dient de gemeente een contract te sluiten met de aanbieder tot het leveren van maatschappelijke ondersteuning (zie uitspraken CRVB 18 mei 2016, ECLI;NL;CRVB;2016;1404 en ECLI;NL;CRVB;2016;1403). Gemeente Maasdriel heeft de boodschappendienst en de maaltijdservice niet als algemene voorziening georganiseerd. Op grond van de Wmo 2015 kent de gemeente maatwerkvoorzieningen toe ten behoeve van de zelfredzaamheid en de participatie en ten behoeve van opvang en beschermd wonen. Hierna staat omschreven wat onder zelfredzaamheid en participatie wordt verstaan. Aan de hand van deze informatie kan worden beoordeeld of een voorziening onder de Wmo 2015valt. Onder participatie wordt verstaan de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate: mensen kan ontmoeten; contacten kan onderhouden; boodschappen kan doen; en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen; zich kan verplaatsen. Onder zelfredzaamheid wordt verstaan het in staat zijn tot het (uit)voeren van: de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; en een gestructureerd huishouden. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen; aan‐ en uitkleden; bewegen; lopen; gaan zitten en weer opstaan; lichamelijke hygiëne (wassen); toiletbezoek; eten/drinken; medicijnen innemen; ontspanning; sociaal contact. Het voeren van een gestructureerd huishouden omvat de zorg voor: het schoon en op orde houden van het huishouden; het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding. Ondersteuning met het oog op het voeren van een gestructureerd huishouden kan daarnaast bijvoorbeeld bestaan uit: hulp bij contacten met officiële instanties; hulp bij het aanbrengen van structuur in het huishouden; hulp bij het leren om zelfstandig te wonen; hulp bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken of; hulp bij het omgaan met geld. De verstrekking vervoer kent twee categorieën, te weten vervoer basis en vervoer voor rolstoel-gebonden cliënten. Het onderdeel vervoer heeft uitsluitend betrekking op vervoer van en naar de dagbesteding. Het vervoer wordt per deelname-dag gedeclareerd en vergoed. Kortdurend verblijf, ook wel logeeropvang genoemd, is tijdelijke verblijfszorg die wordt geboden ter ontlasting van de mantelzorg. De zorg omvat de benodigde begeleiding, bescherming, alarmering en servicekosten (inclusief maaltijden). Bij kortdurend verblijf woont een cliënt thuis maar logeert hij voor korte periodes in een instelling. Kortdurend verblijf kan worden ingezet als het noodzakelijk is de persoon te ontlasten die normaal gesproken (mantel)zorg aan de cliënt levert. Daarnaast moet de cliënt zijn aangewezen op zorg met permanent toezicht. Het toezicht kan gericht zijn op: het bieden van fysieke zorg zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte; het verlenen van zorg op frequente en/of ongeregelde tijden, omdat de cliënt zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurend verblijf inclusief en exclusief ondersteuning. Het kortdurend verblijf is gelimiteerd namelijk per jaar tot maximaal 11 keer voor maximaal 3 aaneengesloten dagen plus 1 periode van maximaal 21 dagen aaneengesloten. De aanbieder mag per etmaal de arrangementsprijs declareren. In de locatie waar de cliënt kortdurend verblijft wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging nodig is moet hiervoor apart een indicatie worden afgegeven en komt het ten laste van de Zorgverzekeringswet. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer of van hulp uit het eigen sociale netwerk. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pas voor de regiotaxi, waarmee hij zich naar de instelling kan vervoeren. Wij onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen: handmatig voortbewogen rolstoel; elektrisch voortbewogen rolstoel; aanpassingen aan de rolstoel. Met aanpassingen worden bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten, maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleenservice van de STMR Thuiszorgwinkel. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport-, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. Verwacht mag worden dat de levensduur van een sportvoorziening minimaal drie jaar is. Bij kinderen in de groei kan hiervan worden afgeweken. Hieronder wordt een aantal maatwerkvoorzieningen voor vervoer nader toegelicht. Deze middelen worden geleverd door de leveranciers waarmee de gemeente een contract heeft afgesloten. Het noodzakelijke onderhoud en de reparaties worden betaald door de gemeente. De cliënt heeft voor het middel met de leverancier een bruikleenovereenkomst gesloten. In de bruikleenovereenkomst staat onder andere dat cliënt de verplichting heeft om als een ‘goed huisvader’ voor het vervoermiddel te zorgen. Overtreding van bepalingen uit de bruikleenovereenkomst zijn daarom op zichzelf geen grond voor de gemeente om het besluit tot toekenning van het vervoermiddel in te trekken. Dit ligt anders als dit in de beschikking is opgenomen. Op dat moment is er een grond om het besluit in te trekken (via artikel 2.3.10 lid 1 sub d Wmo 2015). Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze fietsen in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd, ook al zijn de aanschafkosten hoger dan van een normale fiets. Uitzonderingen worden beoordeeld door de gemeente. Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer voor de korte en middellange afstanden. Als de cliënt minder dan 100 meter kan lopen dan kan de cliënt in beginsel in aanmerking komen voor een scootmobiel. Bij de beoordeling worden o.a. de volgende punten bekeken: Kan cliënt zelfstandig gebruik maken van het openbaar vervoer? Kan cliënt zelfstandig fietsen? Is cliënt (of het gezin) in bezit van een auto? Is cliënt in bezit van een auto, dan komt hij om die motivatie niet in aanmerking voor een scootmobiel. Vervoersbehoeften: waar wil de cliënt naartoe reizen en met welk doel. Is cliënt in staat om veilig zelfstandig deel te nemen aan het verkeer? Is cliënt in staat zelfstandig en veilig de scootmobiel te rijden? Zo nodig kunnen maximaal drie gewenningslessen wordt vergoed vanuit de gemeente. Kan de scootmobiel gestald worden? De stallingsplek moet overdekt zijn en er moet een oplaadpunt zijn. Als een adequate stalling ontbreekt dan moet de gemeente daarvoor zorgen. Zonder stalling is er namelijk geen sprake van een compenserende voorziening. Een gesloten buitenwagen is een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. De gesloten buitenwagen dient onderscheiden te worden van de brommobiel, die eveneens niet harder dan 45 kilometer rijdt, maar waarvoor geen aparte verkeersregels gelden. De brommobiel is niet specifiek voor gehandicapten bedoeld en wordt in beginsel als algemeen gebruikelijk beschouwd. Een gesloten buitenwagen wordt door de aanvrager vaak als gewenste oplossing voor het vervoersprobleem beschouwd, maar is meestal niet de goedkoopst compenserende oplossing. Alleen als op basis van (medisch) advies is vastgesteld dat geen van de andere (voorliggende) voorzieningen voldoet kan een gesloten buitenwagen worden overwogen. Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer of een andere vervoersvoorziening niet voldoet, kan overwogen worden of een autoaanpassing wordt vergoed. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen. Bij verstrekking van autoaanpassingen is het redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (naar verwachting nog minimaal 5-7 jaar mee kan). Bij twijfel moet dit door middel van een autokeuring vastgesteld te worden. Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer c.q. sociale verbanden aangaan, brengt met zich mee dat men zich met een vervoermiddel in de directe leefomgeving moet kunnen verplaatsen. Als een cliënt zich niet meer dan 800 meter (eventueel met hulpmiddelen) zelfstandig kan verplaatsen en/of niet met het Openbaar Vervoer (OV) kan reizen, dan kan de cliënt een indicatie krijgen voor een Wmo vervoersvoorziening en wordt door de gemeente een Wmo-vervoerspas verstrekt. Wanneer een cliënt een probleem ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en participatie in relatie tot het vervoer kan daarvoor gezocht worden naar een oplossing. Er wordt onderzocht in hoeverre men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien, hulp kan inschakelen van het eigen netwerk of gebruik kan maken van een algemene voorziening. In heel uitzonderlijke situaties kan een financiële tegemoetkoming vervoerskosten verstrekt worden. In het gesprek tussen de gemeente en de cliënt wordt overlegd voor welke verplaatsingen op welke afstanden de beperkingen ondervonden worden en hoe deze het beste zijn op te lossen. De verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. De vervoersvoorziening is niet bedoeld om te reizen in het kader van een betaalde baan, dagbesteding en vervoer naar medische behandelingen (bijv. ziekenhuis). Het woon-werkverkeer valt niet onder de Wmo 2015, daarvoor blijven werkgever en werknemer gezamenlijk verantwoordelijk. Alle bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo 2015. Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is een vervoerssysteem voor bovenregionaal vervoer en valt buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente. Bij beperkingen op het gebied van vervoer ligt het primaat bij de Wmo-vervoerspas. Met een Wmo-vervoerspas kan iemand gebruik maken van de regiotaxi (Versis) tegen het OV-tarief. De regiotaxi is een vraagafhankelijk collectief vervoerssysteem van deur tot deur en van deur tot halte en vice versa. Versis rijdt het hele jaar van maandag tot en met zondag tussen 06:00 uur ’s ochtends en 01:00 uur ’s nachts. De eerste reismogelijkheid van een dag is dus een rit met een vertrektijd om 06:00 uur en de laatste mogelijkheid een rit met een vertrektijd om 01:00 uur. Reizigers kunnen een rit aanvragen waarbij de gewenste vertrektijd en de herkomst en bestemming aan een centrale wordt doorgegeven. Versis voert de rit uit waarbij rekening wordt gehouden met een marge van vertrek en een maximale omrijtijd. Bij het toekennen van een Wmo-vervoerspas met korting wordt het maximaal aantal kilometers per jaar waarvoor tegen het gereduceerd tarief gereisd kan worden, gesteld op: 2.640 km bij een normale vervoersbehoefte; 1.320 km als er naast de pas een indicatie is voor een andere maatwerkvoorziening voor vervoer. Het reizen tegen een gereduceerd tarief is mogelijk tot maximaal 20 kilometers per rit en met een maximaal aantal kilometers per jaar. De rit met Versis moet altijd beginnen of eindigen op het grondgebied van één van de volgende gemeenten: Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal of Zaltbommel. Ook kan een rit gemaakt worden vanuit een andere gemeente naar één van de genoemde gemeenten. Daarnaast is een aantal bestemmingen aangewezen als puntbestemming, waarnaar, ongeacht de grens van 20 kilometer, gereisd kan worden tegen het gereduceerd tarief. Deze puntbestemmingen zijn: NS Station 's-Hertogenbosch Winkelgebied 's-Hertogenbosch centrum Ziekenhuis Jeroen Bosch, 's-Hertogenbosch Ziekenhuis Rivierenland, Tiel. De gemeente bepaalt voor Wmo-reizigers de hoogte van het tarief en tevens welke voorzieningen beschikbaar zijn op het gebied van begeleiding, hulpmiddelen en extra rechten. Een scootmobiel of een rolstoel kan meegenomen in Versis. Dit moet worden doorgegeven bij de boeking van de rit. De volgende typen begeleiding kan de gemeente aan een Wmo-reiziger toekennen: Verplichte/medische begeleiding; Sociale begeleiding; Gezinsvervoer; (Huis)dieren (hulphond). Verplichte/medische begeleiding betreft begeleiding op indicatie van de gemeente vanwege medische redenen. De Wmo-reiziger mag niet alleen reizen. De medische begeleider is ten minste 12 jaar oud en is in staat om de bedoelde hulp te kunnen verlenen als dat nodig is. Wmo-reiziger en begeleider reizen gezamenlijk van A naar B. De medische begeleider betaalt geen reizigersbijdrage, maar heeft dezelfde rechten en plichten als iedere andere reiziger. Sociale begeleiding betreft begeleiding op indicatie van de gemeente vanwege sociale redenen. Met deze indicatie kan de Wmo-reiziger kiezen of hij wel of niet met een begeleider wil reizen. Als hij dat wil, dan moet hij dit bij het boeken van de rit aangeven. De Wmo-reiziger betaalt zowel voor zichzelf als voor de sociaal begeleider het Wmo-tarief. De begeleider heeft verder dezelfde rechten en plichten als iedere andere reiziger. De OV-begeleiderskaart is bij Versis niet geldig. Het is voor reizigers die in het bezit zijn van een OV-begeleiderskaart dan ook niet mogelijk om gratis een begeleider te laten meereizen met Versis. Gezinsvervoer betekent dat gezinsleden van de Wmo-pashouder meereizen zonder te betalen. Dit is een indicatie die de gemeente afgeeft. Bij de indicatie gezinsvervoer huurt de Wmo-reiziger als het ware het voertuig. De gemeente legt vast hoeveel mensen de Wmo-reiziger mee mag nemen. Dit kunnen er maximaal vijf zijn. De Wmo-reiziger betaalt alleen voor zichzelf de Wmo-reizigersbijdrage. De overige passagiers rijden kosteloos mee. De Wmo-reiziger kan ervoor kiezen om met of zonder één of meer gezinsleden te reizen. Als hij dit wil, dan moet hij dit bij het boeken van de rit aangeven. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat er geen tegemoetkoming in de kosten van de auto hoeft worden toegekend als de cliënt met zijn hele gezin gebruik kan maken van het collectief vervoer. (zie uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2101). Een hulphond of blindengeleidehond biedt de reiziger hulp vanwege de beperking die de reiziger heeft. Hij mag altijd gratis mee. Voorwaarde is wel dat de reiziger dit doorgeeft bij de boeking van de rit. Andere dieren mogen alleen mee als zij in een tas of kooi op schoot vervoerd worden. Dit is gratis en moet ook worden doorgegeven bij de boeking. Kinderen tot en met 11 jaar mogen niet met Versis reizen zonder begeleiding. Voor kinderen jonger dan 12 jaar met een Wmo-pas geeft de gemeente ook een indicatie af voor verplichte/medische begeleiding. Kinderen tot en met 3 jaar mogen gratis mee onder begeleiding van een betalende passagier die minimaal 18 jaar is. De volwassen passagier mag maximaal twee kinderen tot en met 3 jaar meenemen. De cliënt die, gezien zijn beperkingen, niet normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op het wonen. De consulent kan een maatwerkvoorziening verlenen in de vorm van een woningaanpassing of een maatwerkvoorziening ten behoeve van het zich kunnen verplaatsen in en om de woning, zoals een traplift. De maatwerkvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Hierbij kunnen enkel woonvoorzieningen worden getroffen in ruimtes met een elementaire woonfunctie voor de ingezetene in kwestie. In beginsel zijn dit de woonkamer, slaapkamer, keuken, wc en de badkamer. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het veilig stallen en opbergen (droog en afgesloten) van hulpmiddelen, die als maatwerkvoorziening door de gemeente beschikbaar worden gesteld. Dit geldt tevens voor een hulpmiddel dat door inzet van een persoonsgebonden budget is aangeschaft. Onder losse woonvoorzieningen wordt verstaan: woonvoorzieningen die niet nagelvast aan het huis vastzitten en dus verplaatsbaar zijn. Dit worden ook wel roerende woonvoorzieningen genoemd. Bij losse woonvoorzieningen geldt nog het volgende: Losse voorzieningen zijn veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Alle voorzieningen waarvan de kosten lager zijn dan € 250,00 zijn na verstrekking eigendom van de aanvrager. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en reparatie van deze voorzieningen. Als de kosten hoger zijn dan € 250,00 is de gemeente verantwoordelijk voor het onderhoud, reparatie en verzekering van de voorzieningen, mits geen sprake is van nalatigheid van de cliënt. Voor alle maatwerkvoorzieningen, geleverd in de vorm van natura of in de vorm van een pgb is een eigen bijdrage verschuldigd. Als de maatwerkvoorziening gerealiseerd wordt in een woongebouw waarvan de woning van cliënt onderdeel uitmaakt en het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw betreft, is er geen eigen bijdrage verschuldigd. Onder bouwkundige woonvoorzieningen wordt verstaan: de voorzieningen die nagelvast aan het huis vast zitten. Voor het aanbrengen van bouwkundige voorzieningen gelden nog de volgende voorwaarden: Een locatie die bestemd is voor doelgroepen (bijvoorbeeld een woonservicelocatie) dient door de verhuurder bouwtechnisch geschikt gemaakt te worden voor de verhuur aan de doelgroep. Bouwkundige nagelvaste woonvoorzieningen in natura worden eigendom van de woningeigenaar ongeacht de hoogte van de aanschafprijs van de voorziening. Het college kan een voorziening verstrekken voor keuring, onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen. De kosten hiervoor zijn namelijk inherent aan het verstrekken van een voorziening. Wanneer de voorziening niet gekeurd, onderhouden of gerepareerd wordt, is deze immers niet compenserend. Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Gelderland 26-02-2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3345, waarbij de rechtbank oordeelde dat een traplift een woonvoorziening is die alleen deugdelijk functioneert en dus compenserend is indien deze regelmatig wordt onderhouden. Indien het aannemelijk is dat de cliënt aangewezen is op de traplift, dan is het college in beginsel gehouden een voorziening te verstrekken voor het onderhoud daarvan. Ook zal de gemeente onderhoudskosten dienen te vergoeden in het geval er in de woning van de aanvrager al een traplift aanwezig is en ongeacht of deze op kosten van de gemeente is aangebracht. Trapliften worden in bruikleen (natura) verstrekt. Deze zijn her-inzetbaar waardoor kapitaalvernietiging kan worden voorkomen. Het aanbrengen van bouwkundige of woon-technische voorzieningen aan de eigen woning vanaf een bedrag van € 5.000,00 wordt beoordeeld op basis van minimaal twee of meer offertes. Voor de offertes wordt uitgegaan van het programma van eisen dat door of namens de gemeente is opgesteld. De offertes worden in beginsel door de cliënt opgevraagd. De hoogte van het pgb is het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte. Kosten voor verwijderen van woningaanpassingen vallen niet onder de Wmo, tenzij het een voorziening betreft die in bruikleen is verstrekt. Voor woningaanpassingen waarvan de te verwachte kosten meer bedragen dan € 7.500,- geldt een verhuisplicht., tenzij sociale, medische en financiële factoren zich hiertegen verzetten. Factoren waarmee de gemeente rekening moet houden zijn onder andere de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen, de financiële gevolgen van de verhuizing, de snelheid waarmee het probleem opgelost kan worden en de sociale omstandigheden. Een belangrijk aspect bij het wel of niet toepassen van het verhuisprimaat is de termijn waarbinnen de verhuizing kan plaatsvinden en de vraag of die termijn medisch aanvaardbaar is. Dat zal veelal moeten blijken uit medisch advies. Indien binnen de medisch aanvaardbare termijn geen woning beschikbaar is, kan niet worden gezegd dat verhuizen een compenserende oplossing is. De Centrale Raad van Beroep vindt dat de gemeente de cliënt geen concrete passende woningen heeft aangewezen waarnaar zij met haar gezin binnen een termijn van zes maanden zou kunnen verwijzen. In deze uitspraak was de Wet voorzieningen gehandicapten van toepassing. Ondanks dat cliënt zich niet wilde inschrijven als woningzoekende, had de gemeente de beschikbare woningen wel moeten aanwijzen. Door dat niet te doen, heeft cliënt niet kunnen oordelen of de beschikbare woningen voor hem passend waren of tegen geringe kosten passend konden worden gemaakt. De Centrale Raad van Beroep is van oordeel dat het lijstje van beschikbare woningen dat de gemeente in hoger beroep heeft ingezonden, onvoldoende houvast biedt voor een beoordeling op de volgende punten (zie uitspraak CRVB 9 september 2009, ECLI;NL;CRVB;2009;BK6964): passendheid van die woningen; de duur van de periode waarin zij beschikbaar zijn geweest; en de overige voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden. Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het niet mogelijk is om binnen medisch aanvaardbare termijn te verhuizen, moet de gemeente hier in de besluitvorming uitdrukkelijk aandacht aan besteden. De beschikking moet dan een indicatie geven over de concrete mogelijkheden om binnen de medisch aanvaardbare termijn te verhuizen naar een passende woning (zie uitspraak CRVB 10-10-2000, nr. 98/8278 WVG). Bij sociale omstandigheden van de cliënt kan gedacht worden aan: de binding die een cliënt heeft met de buurt; de aanwezigheid van familie en/of vrienden; de gezondheidssituatie van de partner; de aanwezigheid en afstand tot verschillende voorzieningen zoals winkels, het ziekenhuis, enz.; de mantelzorg die door de verhuizing zou wegvallen. Deze sociale omstandigheden spelen bij het wel of niet kunnen toepassen van het verhuisprimaat een grote rol. Sociale omstandigheden hoeven echter niet per se een reden te zijn om het verhuisprimaat niet te kunnen toepassen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de door vrienden en buren geboden mantelzorg niet bestaat uit medische zorg maar uit planbare activiteiten, waarbij het niet noodzakelijk is dat de mantelzorgers in dezelfde wijk als de cliënt woonachtig zijn. Afhankelijk van de sociale omstandigheden kan van de cliënt worden verwacht dat bij het toepassen van het verhuisprimaat ook buiten de gemeentegrenzen naar een geschikte woning wordt gezocht. Daarbij wordt aangesloten bij het gebied dat geldt voor de urgentieverklaringen voor huurwoningen. Het gaat hierbij om de volgende gemeenten: Altena, Buren, Culemborg, Druten (alleen het dorp Horssen), Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Maasdriel, Molenlanden, Neder-Betuwe, Tiel, Vijfheerenlanden, West-Betuwe, West Maas en Waal, Wijchen (alleen de dorpen Hernen, Bergharen, Batenburg) en Zaltbommel. Onderzocht moet worden welke gevolgen een verhuizing voor de cliënt heeft. Als de gemeente het primaat van verhuizen niet kan toepassen, kan het verhuisprimaat niet als compenserende voorziening worden beschouwd. Dan moet onderzocht worden welke voorziening wél het goedkoopst compenserend is. Dit zou het aanpassen van de huidige woning kunnen zijn. Als na een zorgvuldige afweging van alle belangen blijkt dat het verhuisprimaat wel kan worden opgelegd, is het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding en eventuele aanpassingen in de nieuwe woning voldoende. De cliënt kan vervolgens zelf beslissen of hij de verhuiskostenvergoeding wil gebruiken om te verhuizen of deze wil gebruiken als bijdrage in de kosten om zijn huidige woning aan te passen. In de beschikking moet worden vastgelegd welke aanpassingen op grond van de Wmo 2015 noodzakelijk zijn om de woning compenserend te maken, zodat er voor die woningaanpassing geen voorziening meer verstrekt wordt als achteraf blijkt dat de woning niet volledig compenserend is gemaakt. De gemeente gaat efficiënt om met de beschikbare middelen en de woningvoorraad. De consulent maakt hierin per individueel geval een afweging. Bij het beoordelen of een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening gericht op het wonen, kan de consulent onderzoeken of een verhuizing naar een geschikte woning of gemakkelijker geschikt te maken woning een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. De consulent onderzoekt dit in ieder geval, maar niet uitsluitend, bij woningaanpassingen waarmee aanzienlijke kosten gemoeid zijn. Ook in situaties waarin gezien de prognose van de beperkingen die de cliënt ondervindt de woningaanpassing slechts beperkte tijd zal volstaan, wordt de mogelijkheid van een verhuizing onderzocht. Bij de beoordeling van de vraag of er door middel van een verhuizing een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt, neemt de consulent in ieder geval het volgende in overweging: De eigen voorkeur van de cliënt. Als de cliënt zelf verhuizen als de beste oplossing ziet, dan ligt verhuizen meer voor de hand dan als de cliënt graag in de huidige woning blijft wonen en vice versa. De huidige beperkingen die de cliënt op dit moment ervaart en de toekomstprognose. Verhuizen ligt bijvoorbeeld meer voor de hand als de verwachting is dat de situatie van belanghebbende snel verslechtert waardoor een aanpassing van de huidige woning slechts beperkte tijd zal volstaan. Aan de andere kant kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een medische contra-indicatie voor verhuizen. De snelheid waarmee in een oplossing kan worden voorzien. Verhuizen kan sneller een oplossing bieden dan het doorlopen van het proces van een woningaanpassing (inclusief uitwerking van plannen, aanvragen van offertes en uitvoeren van de werkzaamheden). Het kan echter ook een tijd duren voordat een geschikte woning is gevonden. Bij een advies voor een verhuizing wordt aangeven binnen welke aanvaardbare termijn een nieuwe woning gevonden moet zijn. Bij het vaststellen van de termijn wordt rekening gehouden met de omstandigheden van de situatie die voorligt. Als er binnen de gestelde termijn geen geschikte woning beschikbaar komt, kan een maatwerkvoorziening gericht op het wonen worden toegekend. De gevolgen van een verhuizing voor de sociale omstandigheden van de cliënt. De binding van de cliënt met de omgeving wordt hierbij meegenomen evenals de nabijheid van voor de cliënt belangrijke voorzieningen en de nabijheid van vrienden en familie. Deze omstandigheden wegen zwaarder naarmate de afstand tussen de huidige woning en de mogelijke nieuwe woning toeneemt en naarmate de intensiteit van de mantelzorg toeneemt. Daarnaast weegt de nabijheid van vrienden en familie zwaarder als er sprake is van mantelzorg. Ook eventuele consequenties (zoals inkomstenderving) van een verhuizing voor een bedrijf aan huis worden meegewogen. De consequenties van een verhuizing voor de woonlasten. Een stijging van de woonlasten hoeft niet in de weg te staan van het toekennen van een verhuisurgentie. Wel wordt beoordeeld of een huurlastenstijging aanvaardbaar is voor de belanghebbende, hierbij rekening houdend met het recht op huurtoeslag en verandering in wooncomfort. In geval van een koopwoning wordt meegewogen of de belanghebbende na verkoop blijft zitten met een aanzienlijke restschuld. Als naar oordeel van de consulent een verhuizing voorrang heeft op het aanpassen van de huidige woning, adviseert hij de cliënt in de zoektocht naar een nieuwe woning. Een woningaanpassing heeft als doel het normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Wanneer sprake is van aantoonbare medische beperkingen ten gevolge van bijvoorbeeld astma of allergie waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan hiervoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Voorwaarde is dat de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning. Aangetoond dient te worden dat de medische beperkingen ontstonden na het leggen van de vloerbedekking en niet al aanwezig waren ten tijde van het leggen van de vloerbedekking. Alleen als de sanering niet verwijtbaar is kan hiervoor een voorziening worden verstrekt. De gemeente zal zo nodig een extern medisch advies vragen met betrekking tot de noodzaak van de woningsanering. In principe worden alleen de slaapkamer en de woonkamer gesaneerd. Woningsanering in de Wmo heeft betrekking op overgordijnen in de woonkamer, overgordijnen in de slaapkamer, vitrage woon- en slaapkamer, vloerbedekking woonkamer, vloerbedekking slaapkamer. Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met afschrijving van de te vervangen gordijnen, vitrage en vloerbedekking op de volgende wijze: leeftijd tot 2 jaar: vergoeding van 100% van het normbedrag leeftijd tot 4 jaar: vergoeding van 75% van het normbedrag leeftijd tot 6 jaar: vergoeding van 50% van het normbedrag leeftijd tot 8 jaar: vergoeding van 25% van het normbedrag leeftijd ouder dan 8 jaar: geen vergoeding i.v.m. economische afschrijving. Het normbedrag staat voor de goedkoopst compenserende oplossing in natura. Als het vanwege het permanente gebruik van een rolstoel nodig is om de vloerbedekking te vervangen gelden dezelfde afschrijvingsregels als bij woningsanering. Een aanvraag voor een pgb voor een verhuizing, dient beoordeeld te worden aan de hand van de individuele situatie van de cliënt. Daarbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de cliënt van belang. Er dient een uitgebreide belangenafweging gemaakt te worden, waarbij alle belangen worden meegenomen. Hierbij kan gedacht worden aan: leeftijd; gezinssituatie; woonsituatie; type woning (incl. eigendom/huur); inschrijving als woningzoekende; aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving; sociaal netwerk; financieel vermogen. Deze omstandigheden zijn voorbeelden waarmee rekening gehouden kan/moet worden en het betreft dus ook geen limitatieve opsomming. Steeds zullen alle individuele omstandigheden beoordeeld moeten worden. Als de aanvraag verband houdt met een verhuizing van een adequate naar een inadequate woning komt cliënt niet in aanmerking voor een tegemoetkoming in de meerkosten van de verhuizing. Verhuiskosten worden toegekend door de gemeente waar de cliënt woont, b.v. als een cliënt uit de gemeente Maasdriel verhuist naar ‘s-Hertogenbosch is de gemeente Maasdriel verantwoordelijk voor de verhuiskosten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel