Ten aanzien van de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 2 gelden de volgende regels:
De subsidieontvanger dient een uitgewerkte aanvraag in, inclusief een overzicht van de te verwachten bouwkosten (al dan niet in combinatie met de omgevingsvergunning).
In geval een omgevingsvergunning noodzakelijk is, wordt de subsidie verleend onder de ontbindende voorwaarde dat deze wordt verleend.
Het college toetst of de ingeschatte bouwkosten realistisch zijn, en baseert daarop het voorlopig toe te kennen subsidiebedrag. Het college maakt dit schriftelijk kenbaar aan de subsidieontvanger.
De subsidie wordt voor 40% uitgekeerd bij start bouw en de overige 60% bij definitieve vaststelling van de subsidie (dus na realisatie van het project).
De subsidieontvanger meldt de start bouw schriftelijk aan het college.
De subsidieontvanger meldt schriftelijk aan het college dat het bouwplan, waarvoor subsidie is verleend, opgeleverd is en wat de uiteindelijke realisatiekosten zijn. Deze melding geldt als verzoek om subsidievaststelling.
Het college beoordeelt of bij uitvoering van het project is voldaan aan de voorwaarden uit deze verordening en het bijbehorende beleidskader. Op basis daarvan wordt het subsidiebedrag definitief vastgesteld of (deels) ingetrokken en teruggevorderd.