a. Onderscheid harddrugs en softdrugs
In de aanpak wordt onderscheid gemaakt tussen de aanwezigheid van harddrugs en softdrugs. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben een grotere negatieve invloed op het woon- en leefklimaat dan bij de handel in softdrugs. De handel van harddrugs vindt immers vaak plaats in een harder en crimineler milieu. De aanwezigheid van harddrugs wordt dan ook per definitie bestempeld als een ernstige situatie 1 ECLI:NL:RVS:2015:2388 .
b. Handelshoeveelheid
Volgens jurisprudentie volgt uit het woord ‘daartoe’, zoals genoemd in artikel 13b Opiumwet, dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs aan de burgemeester de bevoegdheid geeft tot toepassing ervan. Het is dus niet noodzakelijk dat de drugs daadwerkelijk wordt verhandeld. Ook blijkt uit vaste jurisprudentie dat de handel, het gebruik en de aanwezigheid van drugs een nadelig effect hebben op de openbare orde. Bij de handel in drugs wordt de aantasting van de openbare orde dus zonder meer aangenomen. De openbare orde verstoring hoeft niet door middel van feiten en omstandigheden te worden aangetoond 2 ECLI:NL:RVS:2019:2912 .
Voor wat het bepalen van de handelshoeveelheid betreft wordt aangesloten bij het vervolgingsbeleid van het OM. Het bestuursrechtelijke en strafrechtelijke beleid zijn hierdoor met elkaar in overeenstemming. Dit betekent dat de volgende hoeveelheden niet meer als geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, maar als handelshoeveelheid wordt gezien:
harddrugs: meer dan 0,5 gram (of 5 ml GHB)
softdrugs: meer dan 5 gram
hennepplanten: meer dan 5 planten
qat: meer dan 1 bundel (ca. 200 gram).
c. Bestuursdwang
Uitgangspunt is dat bij een overtreding van de Opiumwet met toepassing van artikel 13b van deze wet wordt overgegaan tot toepassing van bestuursdwang. Dit leidt tot sluiting van het drugspand. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang rust op artikel 125 Gemeentewet in samenhang met artikel 5:21 Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb).
d. Sluitingsbevoegdheid bij voorbereidingshandelingen
Wat betreft de sluitingsbevoegdheid op grond van voorbereidingshandelingen (opgenomen in de Opiumwet per 1 januari 2019) heeft de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester alleen betrekking op de handelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a en 11a Opiumwet. Deze bepalingen vereisen dat degene die een voorwerp of stof in een woning of lokaal of daarbij behorend erf voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs, respectievelijk voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Uit de Memorie van Toelichting (MvT, kamerstuk 34 763, nr. 3) blijkt dat de situatie van dien aard moet zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het om strafbare voorbereidingshandelingen gaat. Dit vergt een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de aard en hoeveelheid van de aangetroffen stof of uit de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie of een opsporingsonderzoek. Alleen het in een woning of lokaal of daarbij behorend erf voorhanden hebben van de genoemde voorwerpen of stoffen, verschaffen de bevoegdheid aan de burgemeester om over te gaan tot sluiting. Ook kan het zijn dat dan op grond van andere bevoegdheden kan worden opgetreden.
e. Drugshandel in of vanuit woningen en lokalen
Bij woningen grijpt een sluiting in beginsel ernstiger in op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n) dan het sluiten van een lokaal. De beginselen als ‘recht op ongestoord woongenot’ (artikel 8 EVRM) en ‘huisvredebreuk’ vereisen een zorgvuldige afweging ten aanzien van woningen. In gevallen waarbij er (mogelijk) sprake is van verblijf van minderjarige(n) zal daarom bijvoorbeeld een zorgmelding worden gedaan bij Veilig Thuis. Minderjarige(n) dienen beschermd te worden tegen blootstelling aan dergelijke situaties.
Dit is anders wanneer een woning niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt. Of een woning daadwerkelijk wordt gebruikt voor bewoning kan blijken uit inschrijvingen in de Basisregistratie Personen (BRP) of uit constateringen ter plaatse.
Als er sprake is van een woning waar kamerverhuur plaatsvindt en handel in drugs in één van de verhuurde kamers is geconstateerd, dan kan een gedeeltelijke sluiting van de woning worden overwogen.
Omdat er sprake is van ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal niet in alle gevallen direct tot sluiting worden overgegaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft onder andere in een uitspraak van 28 november 2012 geoordeeld dat van dit uitgangspunt - niet direct sluiten bij de eerste overtreding, maar eerst waarschuwen - in ernstige gevallen mag worden afgeweken. Dit is inmiddels bestendige jurisprudentie.
De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat het beleid, om in het geval een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen, zonder voorafgaande waarschuwing de sluiting van het betrokken pand te gelasten, niet onredelijk is. In deze beleidsregel is ook vastgelegd dat de burgemeester een woning direct, zonder voorafgaande waarschuwing, voor minimaal 3 maanden sluit, wanneer er een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen in de woning.
Uit jurisprudentie blijkt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs onvoldoende is om te kunnen spreken van een ernstig geval. Wanneer er onder andere sprake is van bijkomende omstandigheden - zoals bijvoorbeeld de daadwerkelijke verkoop van softdrugs in/vanuit de woning - kan er wel sprake zijn van een ernstig geval waarbij de woning direct, zonder voorafgaande waarschuwing kan worden gesloten. De burgemeester sluit een lokaal bij constatering van een overtreding van de Opiumwet overigens in beginsel zonder voorafgaande waarschuwing. Dit acht de burgemeester noodzakelijk om het gevaar dat de aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs vanuit haar aard heeft effectief aan te kunnen pakken.
In deze beleidsregels is vastgelegd hoe wordt opgetreden na constatering van specifieke overtredingen. In de handhavingsmatrixen (zie paragraaf 6) is dit schematisch weergegeven. Hierbij is een onderscheid gemaakt in situaties waarin harddrugs worden aangetroffen en situaties waarin softdrugs worden aangetroffen. Tevens is er dus onderscheid gemaakt tussen de overtreding bij woningen en bij lokalen. Bij de enkele aanwezigheid van softdrugs in een woning zal in beginsel eerst een waarschuwingsbrief/(preventieve) last onder dwangsom worden verstuurd aan de betrokkene(n). Wanneer er echter sprake is van een ernstig geval, wordt deze eerste stap overgeslagen en volgt direct sluiting voor 3 maanden. De burgemeester hanteert de regel dat indien sprake is van een ernstig geval een stap uit de handhavingsmatrix kan worden overgeslagen.
De belangrijkste feiten en omstandigheden die duiden op ernstige gevallen, staan in onderstaande indicatorenlijst vermeld. De indicatorenlijst heeft een alternatief en geen cumulatief karakter. De indicatorenlijst is nadrukkelijk een hulpmiddel. Voor toepassing van de maatregel moet uiteraard altijd eerst gekeken worden of voldaan wordt aan de criteria van artikel 13b Opiumwet en de voorwaarden zoals gesteld in dit beleid.
Indicatorenlijst
De hoeveelheid aangetroffen middelen.
Is er sprake van handelshoeveelheden van verschillende middelen of een combinatie van hard- en softdrugs? Het aantreffen van een handelshoeveelheid op zichzelf is al voldoende om handel aan te nemen; daadwerkelijke verkoop, afleveren of verstrekken hoeft niet aangetoond te worden.
De mate waarin de woning of het lokaal betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is.
Hierbij kan gedacht worden aan (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of -gebruik in verband kunnen worden gebracht, of het aantreffen van attributen in de woning die op handel in verdovende middelen wijst, zoals weegschalen, luxe goederen, grote hoeveelheden contant geld, versnijdingsmaterialen, verpakkingsmaterialen, etc.
Strafbare feiten, geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de wet Wapens en Munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning of het lokaal.
Hierbij kan gedacht worden aan gerelateerde feiten in de zin dat in de woning of het lokaal personen worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond. Ook kan aantoonbare (drugs)overlast met betrekking tot het pand of andere panden van de eigenaar een rol spelen.
Vermoedens van verwijtbaar gedrag van bewoner(s)/betrokkene(n) of betrokkenheid bij personen met antecedenten.
Hierbij kan gedacht worden aan aantoonbare relaties van bewoner(s)/betrokkene(n) met personen die bij de politie bekend staan als drugshandelaren, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit. Ook het onvoldoende toezicht houden op (de activiteiten in) het pand door de eigenaar maakt dat sprake is van verwijtbaar handelen. Het al dan niet aantoonbaar actief betrokken zijn bij de drugshandel en/of onderdeel zijn van het drugscircuit is geen vereiste om verwijtbaarheid aan te nemen.
De mate van gevaar of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of omwonende(n).
Hierbij kan gedacht worden aan een buurt waarin de woning of het lokaal zich bevindt (staat de omgeving van de woning al langer onder druk in verband met drugsoverlast, bijvoorbeeld blijkend uit een negatieve score op de veiligheidsindex, dan kan worden overwogen dat een drugsvondst sneller het toch al broze woon- en leefklimaat in gevaar brengt) of de drugsoverlast die in de directe omgeving wordt ondervonden. Het kan ook gaan om brandgevaar, of gevaar afkomstig door het onderdeel zijn van het drugscircuit.
Aannemelijkheid dat de woning, het lokaal of het daarbij behorende erf niet overeenkomstig de functie wordt gebruikt en dat er nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij de drugshandel in georganiseerd verband of als de aanwezigheid van de drugs hierop duidt, alsmede overige feiten of omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband zoals bijvoorbeeld verklaringen of meldingen van getuigen, omwonenden, gebruikers, handelaren etc.
Er is sprake van recidive.
Is er sprake van een herhaling van feiten? Is de locatie en/of overtreder, of degene die als zodanig is aan te merken, eerder bij dit soort feiten betrokken geweest? Ten aanzien van de overtreder heeft dit dan ook betrekking op andere locaties.
In aanvulling op voorgaande indicatoren, wordt in de situatie dat alleen sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen, tevens rekening gehouden met de volgende indicatoren:
De aard van de stoffen of goederen.
Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen welke niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie of handel van hard- dan wel softdrugs.
De mate waarin de goederen erop wijzen bestemd te zijn voor handel in drugs.
Voor de productie en handel in drugs zijn veel goederen nodig die op diverse locaties worden verkocht. De vraag in welke mate de goederen bestemd zijn voor de handel of productie in drugs moet aan de hand van de feitelijke (bedrijfs-)situatie worden beoordeeld. Dat kan bijvoorbeeld aan de hand van de hoeveelheid goederen en de bedrijfsadministratie.
De combinatie van aangetroffen stoffen.
Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het tegelijk verkopen, dan wel aanwezig hebben van goederen die voor (grootschalige) verwerking of bereiding van drugs bedoeld zijn (bijvoorbeeld: grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen).
Mate van bekendheid van het pand waar dergelijke producten verkocht of verhandeld kunnen worden.
Uit informatie kan blijken dat een locatie een aanloop heeft van personen die juist voor de productie of handel in drugs naar een locatie komen.
Artikel 5.