Naar hoofdinhoud
De gemeente heeft als beheerder van de openbare ruimte de plicht deze veilig en duurzaam in stand te houden. Om te kunnen meten wat de fysieke staat van de openbare ruimte is, wordt gebruik gemaakt van de CROW-beeldkwaliteit niveaus. Als gemeente sluiten wij zoveel mogelijk aan bij deze landelijke richtlijnen/kaders vanuit de CROW. De CROW-beeldkwaliteitssystematiek is landelijk geaccepteerd en bedoeld om de fysieke staat de openbare ruimte te meten. Hierbij wordt gewerkt met verschillende niveaus variërend van A+ tot en met D-niveau. Kwaliteitsniveau Omschrijving A+ Staat nagenoeg gelijk aan opleveringskwaliteit. Door de hoge kwaliteitsnormen is dit niveau lastig voor langere tijd vast te houden. A Hoogst realiseerbaar kwaliteitsniveau waarmee een verzorgde en nette uitstraling wordt gerealiseerd. B Basisniveau waarbij het onderhoud op een sobere en doelmatige manier plaatsvindt en instandhouding van de beplanting gerealiseerd wordt. C Verminderde onderhoudsintensiteit, alleen geschikt voor groen wat extensief onderhoud kan verdragen. Bij andere beplanting kan dit kwaliteitsniveau op termijn een achteruitgang in de vitaliteit van de beplanting betekenen. D Nauwelijks onderhoud waardoor de beplanting snel in vitaliteit/ kwaliteit afneemt en kapitaalsvernietiging ontstaat. De gemeente wil op basis van de uitgangspunten in de koepelnota kwaliteitsniveau B in de kernen (binnen bebouwde kom) en kwaliteitsniveau C in het buitengebied (buiten bebouwde kom) hanteren. In de beleids- en beheerplannen van de voormalige gemeentes zijn andere keuzes gemaakt over kwaliteitsniveaus. Onderstaande tabel geeft aan wat de beleidsmatige afspraken waren. Kwaliteitsniveaus voormalige gemeentes Winkel gebied Historische straten Woon gebied Buiten gebied Bedrijven terrein Hoofd wegen Geldermalsen A A B C B A Neerijnen A A B** C B A Lingewaal* B/B B/B B/B B/C C/C B/B *in Lingewaal werd in het beleid onderscheid gemaakt tussen verzorgingsbeeld en technische staat van het onderhoud. In bovenstaand overzicht is daarom eerst het gewenste verzorgingsniveau aangegeven en daarna het gewenste technische niveau. In de praktijk werd in Lingwaal echter kwaliteitsniveau A gerealiseerd o.a. door nog gebruik te maken van chemische middelen. **onkruidbeheersing wordt in de woongebieden op niveau A gedaan. Deze tabel vraagt om een toelichting en nuancering: Slechts een deel van het winkelgebied en de historische straten/hoofdwegen in voormalige gemeente Geldermalsen werden op kwaliteitsniveau A beheerd. Dit betrof alleen het winkelgebied in de kern Geldermalsen (met slechts enkele plantvakken en hagen) en de Rijksstraatweg. Bij de Van Dam van Isseltweg bestaat de groeninrichting vooral uit bermen waarop het reguliere maaibeheer van gazons van toepassing is. De historische straten in de voormalige gemeente Geldermalsen betrof de Voorstraat in Beesd. Ook daar bestaat de groeninrichting uit voornamelijk gazon en leibomen. In Geldermalsen, Neerijnen en Lingewaal werd het onderhoud binnen de bebouwde kom standaard op kwaliteitsniveau B uitgevoerd, het buitengebied op kwaliteitsniveau C. In Lingewaal is op beperkte schaal cultuurlijke beplanting aanwezig buiten de bebouwde kom. Dit wordt op niveau B onderhouden. De keuze in de koepelnota voor een kwaliteitsniveau B in de kernen betekent dus voor een deel van de gemeente een verandering in onderhoud in de winkelgebieden en hoofd- en historische straten. Dat hoeft echter geen achteruitgang te betekenen in het beeld. Dit komt omdat het areaal groen in deze gebieden beperkt is en het onderhoud wat daar nu uitgevoerd wordt niet veel afwijkt van het toekomstige onderhoud (maaibeheer bermen e.d.). De aanpassing van het kwaliteitsniveau betekent intensief onderhoud waar het moet en extensief onderhoud waar het kan. Woon- en centrumgebieden worden dus op een functioneel niveau onderhouden en in het buitengebied kan extensiever onderhoud plaatsvinden. In het buitengebied is de samenstelling van het groen anders, de vervuilingsgraad vaak anders en het acceptatieniveau voor meer natuurlijke beplanting hoger, waardoor kwaliteitsniveau C niet tot achteruitgang leidt. Monitoring van deze kwaliteitsniveaus vindt plaats volgens de door het CROW voorgestelde monitoringsmethode. Hierbij worden maandelijks een willekeurig aantal locaties op hun kwaliteit beoordeeld. De groenaannemer/derden en de eigen dienst worden via deze monitoring beoordeeld en afgerekend op de geleverde kwaliteit. 4.2.1 Beplantingen Het betreft hier het onderhoud van vooral de cultuurlijke beplanting zoals heesters, bodembedekkers, hagen en vaste planten en enkele meer natuurlijke beplanting zoals bosplantsoen en grienden. Dagelijks onderhoud Onderhoud van de beplantingen is een terugkerend proces wat in de drie voormalige gemeentes op een vergelijkbare wijze werd uitgevoerd. Het onderhoud bestaat uit: Verzorgend onderhoud: Werkzaamheden die bepalend zijn voor het verzorgingsbeeld van de beplanting zoals onkruidbeheersing, zwerfvuil ruimen en bladruimen. Technisch onderhoud zijn de werkzaamheden die nodig zijn voor de instandhouding van de beplanting zoals knippen en (verjongings)snoei. Onderstaand is per beheergroep aangegeven welke werkzaamheden plaatsvinden. Beheergroep Technisch Verzorgend Vaste planten • Knippen • Scheuren (verjongen) • Onkruidbeheersing • Bladruimen • Zwerfafval ruimen • Randensnoei (zomersnoei) Rozen • Winter/najaarssnoei Bodembedekkers • Afzetten uitlopers bovenzijde Heesters/botanische rozen • Wintersnoei • Uitdunnen Hagen < 80 en > 80 • Hagen knippen (machinaal) Blokhagen • Hagen knippen (machinaal) Bosplantsoen • Uitmaaien randen • Dunnen beplanting • Zwerfafval ruimen • Randensnoei (zomersnoei) Griend • Terugzetten beplanting Bloembakken • Wisselbeplanting aanbrengen • Water geven • Onkruidbeheersing • Bladruimen • Zwerfafval ruimen De frequentie van het onderhoud wordt bepaald door het afgesproken kwaliteitsniveau. Dit is afhankelijk van o.a. de groeisnelheid, geslotenheid van het plantvak en vitaliteit van de beplanting. Technische kwaliteit plantvakken Voor een sober en doelmatig beheer van de beplantingen is het noodzakelijk dat de beplantingsvakken in goede staat zijn. Alleen dan kan met beperkte onderhoudsintensiteit een basis kwaliteitsniveau geleverd worden. Hoe meer plantvakken in slechte staat zijn, hoe meer tijd en dus geld nodig is om de gewenste onderhoudskwaliteit te behalen. Het ontbreken van een vervangingsbudget betekent dat de gemeentes in de afgelopen jaren geen/weinig plantvakken hebben vervangen die aan het eind van hun levensduur zijn. Met als gevolg dat beplanting verouderd en minder vitaal is om het plantvak goed gesloten te houden. Hierdoor neemt de technische kwaliteit van de plantvakken af. Voor een efficiënt groenbeheer is het dus wenselijk de technische kwaliteit van plantvakken te verbeteren zodat het onderhoud ook effectief uitgevoerd kan worden. In hoofdstuk 5 wordt hier verder op in gegaan. 4.2.2 Grassen Maairegimes Bij de maairegimes wordt onderscheidt gemaakt in gazons en kruidenrijke vegetaties. Gazons worden in de gehele gemeente op kwaliteitsniveau B onderhouden, wat betekend dat de gazons gemiddeld 24x per jaar gemaaid worden. Bermen en andere kruidenrijke vegetaties worden minder vaak gemaaid. Dit gebeurt ook grootschaliger. Het maaien van kruidenrijke vegetaties gebeurt in de gehele gemeente uit kostenoverwegingen 2x per jaar. Daarnaast wordt op kruispunten in Neerijnen vaker gemaaid (5x) vanwege de verkeersveiligheid. Maairegime Omschrijving Maaien 24x Maaien van gazons binnen de bebouwde kom zodat een net en verzorgd beeld ontstaat. Het aantal maaibeurten (24x) is indicatief. Het maaibeheer wordt op beeld uitgevoerd. Het aantal maaibeurten is daardoor afhankelijk van de groeisnelheid van het gazon. Extensief maaien 5x Maaien van de vegetatie nabij kruispunten, oversteekplaatsen en andere verkeerssituaties omdat het hoge gras het uitzicht niet mag belemmeren of waar 24 x niet noodzakelijk is. Extensief maaien 2x Maaien van bermen en kruidenrijke vegetatie aan de rand van de kernen of op locaties waar grote gras/groenzones aanwezig zijn. Het extensief maaien gebeurt door middel van klepelen. Bij alle maairegimes geldt dat het maaisel achterblijft op het grasveld of in de berm. Hierdoor hoeft het gras, met name bij de kruidenrijke vegetaties niet te worden afgevoerd, wat een besparing op stortkosten betekend. Deze werkwijze zorgt er wel voor dat de ondergrond telkens verrijkt wordt met organisch materiaal, wat een ecologische ontwikkeling van de bermen in de weg staat. Specifieke afspraken Maaien uitzichthoeken: bij kruispunten, uitritten en andere verkeerssituatie vinden extra maaiwerkzaamheden plaats om het uitzicht op andere weggebruikers te behouden. Dit alleen indien dit echt noodzakelijk is. Bijmaaien obstakels: In gazons en bermen zijn allerlei obstakels aanwezig zoals bomen, (verkeers)borden en andere wegmarkeringen. Bij het maaien is het niet mogelijk kort langs deze obstakels te het gras weg te halen. Daarom wordt hiervoor een aparte maaironde gemaakt, waarbij een medewerker met een bosmaaier het gras wegmaait. Binnen de bebouwde kom worden obstakels bijgemaaid als onderdeel van het afgesproken onderhoudsniveau. Buitengebied: in de voormalige gemeente Geldermalsen wordt in het buitengebied het gras rondom de bomen niet meer bijgemaaid. In de andere delen van de gemeente gebeurt dit nog wel. 4.2.3 Bomen Harmonisatie van het beleid- en beheer van bomen betekend dat gekeken moet worden naar de instandhouding van bomen, zowel beheertechnisch als beleidsmatig in de vorm van kapbeleid. De huidige samenstelling van het bomenbestand is daarbij bepalend voor de te nemen maatregelen. Bescherming bomen/kapbeleid De bescherming van waardevolle bomen is in de voormalige gemeentes op verschillende manieren uitgewerkt. In Geldermalsen en Lingewaal is een waardevolle of monumentale bomenlijst opgesteld. Alle andere bomen zijn daardoor kapvergunningsvrij. In Geldermalsen zijn naast de individuele beschermde bomen ook de gemeentelijke (hoofd)boomstructuren opgenomen als kapvergunningsplichtig. Neerijnen had een bomenlijst, maar deze is niet formeel vastgesteld. Hier geldt dus het kapverbod voor bomen (ook hoogstamfruitbomen) met een doorsnede van > 20cm op 1.30m boven het maaiveld. Tijdens de participatiebijeenkomsten hebben de meeste deelnemers zich uitgesproken voor het opstellen van een West-Betuwse waardevolle bomenlijst waarbij ook de gemeentelijke waardevolle boomstructuren worden opgenomen. Boombeheer De gemeente is eigenaar en beheerder van de gemeentelijke bomen en heeft dan ook zorgplicht voor deze bomen. Deze zorgplicht houdt in dat de bomen goed onderhouden worden en risico’s en gevaarzetting daarmee zoveel mogelijk voorkomen wordt. Dit wordt aangetoond door te controleren op vitaliteit, veiligheid en onderhoudstoestand. De werkwijze voor het controleren gebeurde in de voormalige gemeentes op een vergelijkbare wijze. De meeste bomen worden 1x per 3 jaar beoordeeld tijdens de boomveiligheidscontrole. Bomen met een verminderde vitaliteit of mogelijke gevaarzetting worden elk jaar gecontroleerd. Risico- en attentiebomen worden nog vaker gecontroleerd of verwijderd. Onderstaande tabel laat de resultaten zien van de laatste boomveiligheidscontroles. Deze zijn in 2019 uitgevoerd. Een deel van de bomen is na de gemeentelijke samenvoeging nog niet gecontroleerd. Deze staan voor 2020 op de planning. Totaal bomenbestand Binnen bebouwde kom Buiten bebouwde kom Risicoklasse aantal % aantal % aantal % Attentieboom 988 3,5% 326 2,2% 662 5,1% Geen verhoogd risico 24271 87,0% 13082 88,1% 11.189 85,9% Risicoboom 20 0,1% 14 0,1% 6 0,0% Tijdelijk verhoogd risico 884 3,2% 406 2,7% 478 3,7% Verhoogd risico 1722 6,2% 1025 6,9% 697 5,3% Totaal 27.885 100,0% 14.853 100,0% 13.032 100,0% Bij de laatste boomveiligheidscontrole is geconstateerd dat ruim 13% van het bomenbestand een risico of attentieboom was. Naar aanleiding van deze controle wordt om financiële redenen alleen bij deze 13% het meest noodzakelijke onderhoud uitgevoerd. Dit noemen we risico gestuurd boombeheer. Bomen die op dit moment (nog) geen risico vormen worden met deze manier van werken niet vakkundig onderhouden. Met als gevolg dat de bomen niet ontwikkelen tot vitale, duurzame bomen, de kwaliteit van de bomen achteruitgaat en op termijn hogere kosten en ingrijpendere maatregelen nodig zijn om de boom in stand te houden. Typerend voor West Betuwe zijn de populierenlanen in het buitengebied. Deze zijn grotendeels aangeplant in de laatste ruilverkaveling (jaren 60-70 vorige eeuw). Het risico gestuurd snoeien van deze bomen brengt de boomveiligheid in toenemende mate in het gedrang omdat deze bomen het einde van hun levenscyclus naderen. Doordoor ontstaat een grotere snoeibehoefte en/of noodzaak voor vervanging. Een betere onderhoudsmethode voor het boombeheer is het cyclisch boombeheer, waarbij ook jonge en veilige bomen het onderhoud krijgen wat nodig is voor hun ontwikkeling. In paragraaf 4.4 is het cyclisch boombeheer toegelicht bij de harmonisatie van het groenbeleid. Ziektes, aantastingen en plagen In het boomonderhoud hebben we regelmatig te maken met ziektes, aantastingen en plagen (ZAP’s). Een negatief effect waardoor ZAP’s voorkomen is de aanwezigheid van monotone bomenbestand. Dit is in veel gemeentes in Nederland aanwezig is, zo ook in West Betuwe. Uit de analyse van het bomenbestand is gebleken dat 74% van het boomareaal bestaat uit slechts 6 boomsoorten (esdoorn, els, populier, eik, wilg en linde). Met als gevolg dat ZAP’s als essentaksterfte, eikenprocessierups e.d. zich snel kunnen verspreiden. Hieronder is van de meest voorkomende ZAP’s aangegeven wat de aanpak van de gemeente is. Zap’s Huidige aanpak Essentaksterfte Monitoren tijdens Boom Veiligheids Controle en risico gestuurd snoeien Paardenkastanje bloedingsziekte Iepziekte Kastanjemineermot Massaria bij platanen Watermerkziekte Wilgenhoutrups Horzelvlinder/ populierenboktor Eikenprocessierups Preventieve bespuiting en curatief zuigen (alleen langs wegen) Eikenspintkever Geen specifieke aanpak (aantastingen zeer beperkt aanwezig) Luis Geen bestrijding Pollen Geen bestrijding Een groot deel van de ZAP’s wordt bij de boomveiligheidscontroles gemonitord. Ontstaan er hierdoor risico’s dan wordt ingegrepen door te snoeien. Hiermee wordt alleen het gevaar wat de aantasting oplevert aangepakt. Een betere manier om ZAP’s te bestrijden is te zorgen voor een goed ontwikkeld bomenbestand waarin ZAP’s minder de kans krijgen zicht te verspreiden. Dit pleit nogmaals voor een verbeterd beheer van de bomen door middel van een cyclisch boombeheer. 4.2.4 Watergangen Watergangen zijn bedoeld om het overtollige (regen)water af te voeren en water in droge periodes in het gebied te houden. Om deze functies te kunnen garanderen moeten watergangen regelmatig gemaaid worden. Vanuit het Waterschap zijn de eisen hiervoor vastgelegd in de Keur. De gemeente is verplicht de (B- en C) watergangen volgens deze eisen te onderhouden. Hierbij worden in principe geen opruimwerkzaamheden uitgevoerd, mits het slootvuil in de berm verwerkt kan worden. Voorwaarden hierbij zijn een voldoende brede berm, geen bomen, voldoende laag, direct verspreiden over de berm en indien nodig klepelen. Voor scheisloten waarvan de erfgrens in het midden licht heeft voormalige gemeente Geldermalsen afspraken gemaakt met agrariërs. Gemeente maait de sloot uit en de aanliggende eigenaar ontvangt/verwerkt het slootmaaisel. Het slootmaaisel wat niet op andere percelen gezet kan worden wordt afgevoerd. In Neerijnen wordt al het slootmaaisel afgevoerd en in Lingewaal werd maaisel alleen opgeruimd als dit langs de strooiroute ligt (belangrijke wegen/hoofdstructuur). De huidige werkwijzen zijn vooral kosten gestuurd en dragen niet optimaal bij aan ecologisch bermbeheer en het stimuleren van biodiversiteit. Bovendien worden de bermen stelselmatig opgehoogd waardoor de waterafvoer van de weg belemmerd wordt. Dit heeft weer nadelige gevolgen voor de stabiliteit en veiligheid van de wegen. 4.2.5 Hondenterreinen De voormalige gemeente Geldermalsen heeft als enige meerdere hondenterreinen. In Lingewaal is er één uitrenweide en in Neerijnen ook enkele uitrenweides. In geen van de drie voormalige gemeentes is hondenbeleid opgesteld. In Geldermalsen was hiervoor in 2008 beleid opgesteld maar door bezuinigingen in 2012 zijn daar slechts de uitlaatstroken en de uitrenweiden van overgebleven, zonder onderhoudsbudget. Bij alle voormalige gemeenten geldt een opruimplicht. De hondenterreinen bestaan uit hondenuitrenweiden, hondenuitlaatstroken en hondentoiletten. De laatste 2 terreinen zijn vrij van opruimplicht. De uitlaatstroken worden meegenomen in het reguliere maaibeheer. Buiten het maaiseizoen worden de stroken 1x per twee weken met speciale machines schoon gezogen. Het hondentoilet wordt regelmatig schoongemaakt en het zand wordt 1 á 2x per jaar vervangen. Aan deze voorzieningen is geen onderhoudsbudget gelabeld. De onderhoudskosten komen nu ten laste van het budget voor het maaibeheer. West Betuwe heeft er tot dusver voor gekozen om geen hondenbelasting meer te heffen. Deelnemers van de participatiebijeenkomsten geven aan dat hondenbezitters zelf verantwoordelijk zijn voor alles wat hun hond nodig heeft. Het faciliteren van beperkte voorzieningen of ondersteunen van initiatieven is volgens veel deelnemers een meerwaarde die de gemeente kan bieden

Rechtspraak bij dit artikel