Het college gebruikt acht interventieniveaus naast de hoofd- en subresultaten om de intensiteit van de ondersteuning aan te duiden.
Universele preventie:
Algemene voorlichting op bepaalde thema’s binnen verschillende leefgebieden.
Selectieve preventie:
Gerichte voorlichting op thema’s aan bepaalde groepen.
Kortdurende ondersteuning:
Kortdurende ondersteuning gericht op een specifiek probleem. De ondersteuning is vrij toegankelijk, hiervoor hoeft geen beschikking afgegeven te worden.
Ambulant, generalistisch:
Ondersteuning die laagfrequent en bij een enkelvoudig te behalen resultaat ingezet wordt, waarbij de belasting voor de inwoner van de ondersteuning laag is (vanuit het perspectief van de inwoner), geen sprake is van een diffuus beeld, en geen specialistische ondersteuning wordt ingezet. Indien nodig valt in te zetten nazorg onder interventieniveau 4.
Ambulant, specialistisch:
Ondersteuning die frequent wordt ingezet, waarbij de belasting voor de inwoner van de ondersteuning gemiddeld of hoog is, gelijktijdig aan één of meerdere resultaten gewerkt wordt, en geen sprake is van een diffuus beeld. Er kan eventueel sprake zijn van specialistische ondersteuning.
Ambulant, intensief specialistisch:
Ondersteuning die hoogfrequent wordt ingezet en waarbij de belasting voor de inwoner van de ondersteuning hoog is, er gelijktijdig aan twee of meer resultaten gewerkt wordt, problemen op meerdere leefgebieden elkaar negatief beïnvloeden, en er sprake is van een diffuus beeld. Er kan eventueel sprake zijn van specialistische ondersteuning.
Daghulp:
Ondersteuning zonder verblijfscomponent die gedurende de dag of een dagdeel gegeven wordt. Bijvoorbeeld daghulp, dagbesteding, G1 – gezondheid, of thuiswonen+.
Verblijf met bed:
Ondersteuning in combinatie met verblijf die 24 uur per dag geboden wordt.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.1
Artikel 3.1.2
Interventieniveaus
Onderdeel van Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Assen 2020