Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.3

Persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening individuele voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lochem

Lid 1 verwijst naar de in artikel 6 van de wet gestelde keuzemogelijkheid voor een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget. De in onderdeel a. genoemde bepaling sluit eveneens op de bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is immers vastgelegd dat alleen bij toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen hier buiten. Onderdeel b. bepaalt dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. Goedkoopst adequaat is, mede op basis van jurisprudentie, een objectief vaststelbaar referentiepunt. Verder kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de instandhoudingkosten van de voorziening. Onderdeel c. bepaalt dat het college de wijze waarop, inclusief de hoogte en de voorwaarden waaronder, een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, vaststelt. Het kan immers gaan om een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen, waarvoor richtlijnen gelden. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in de beleidsregels. Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de periode waarover het persoonsgebonden budget wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke beschikkingen zorgvuldig worden geformuleerd. In lid 3 is bepaald dat, uiteraard voor zover dit onderdeel is van het (medisch) advies het program van eisen, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen aan de toekenningsbeschikking wordt toegevoegd. Als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. In lid 5 wordt bepaald dat het college -indien een persoonsgebonden budget gebruikt is om een voorziening aan te schaffen en deze voorziening niet meer gebruikt wordt, omdat deze niet meer nodig is of omdat het gebruik niet meer mogelijk is- de voorziening kan terughalen. Ook is het mogelijk om het restbedrag van het PGB terug te vorderen. Door de voorziening of het restbedrag van het PGB terug te halen, kan de voorziening of het geld worden herverstrekt, waardoor zorgvuldig wordt omgegaan met gemeenschapsgeld en dit optimaal wordt gebruikt. De keuze tussen het terughalen van het aangekochte middel of het restbedrag van het PGB is van belang om tot een zo goed mogelijk afweging te komen tussen de belangen van de cliënt en de gemeente. De gebruiker is verplicht het niet meer gebruiken van de voorzieningen aan het college door te geven. Deze plicht vloeit voort uit artikel 7.4 van deze verordening. Ook door de budgethouder bij aanschaf ingezette eigen middelen kunnen op afschrijvingsbasis worden overgenomen of terugbetaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel