Naar hoofdinhoud
Bij het vaststellen van de aanspraak op huishoudelijke verzorging wordt allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al jaren geleden onder de AWBZ-indicatiestelling van huishoudelijke verzorging in gang gezet. Voor zover de ondervonden problemen door middel gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op huishoudelijke verzorging. De onderdelen b en c zijn in 2009 toegevoegd op advies van Schulinck. In de praktijk werd hier al naar gehandeld. Het begrip gezamenlijke huishouding is verwijderd onder a., omdat volgens de wet (Wmo) een gezamenlijke huishouding slechts uit 2 personen kan bestaan. Dat zou betekenen dat inwonende kinderen van 2 partners uitgesloten zouden worden van het verlenen van gebruikelijke zorg. In lid 3 wordt bepaald dat wanneer een individuele voorziening voor huishoudelijke verzorging nodig is, geen persoonsgebonden budget wordt verstrekt wanneer de verwachte duur van de voorziening, minder dan 3 maanden is. Om administratieve rompslomp te voorkomen wordt in dat geval uitsluitend huishoudelijke verzorging in natura verstrekt.

Rechtspraak bij dit artikel