1.De voorzitter van de betreffende kamer bepaalt plaats en tijdstip
van de zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in
de gelegenheid worden gesteld zich door de betreffende kamer te doen
horen.
2.De voorzitter van de betreffende kamer beslist over de toepassing
van de artikelen 7:3 van de wet.
3.Indien de voorzitter van de betreffende kamer op grond van de in
het tweede lid genoemde artikel besluit van het horen af te zien
doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het verwerend
orgaan.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 12
Hoorzitting
Onderdeel van Verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften gemeente De Bilt