In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een stamdoorsnede (dwarsdoorsnede) van de stam van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamdoorsnede (dwarsdoorsnede) van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht kunnen voorschriften gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 20 cm dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven maaiveld;
houtopstand: een of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;
hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld opnieuw op de stronk uitlopen;
knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet of artikel 4.1 lid a. van de Wet natuurbescherming;
landbouwgronden: gronden in gebruik voor de landbouw als bedoeld in artikel 1 van de Landbouwwet;
In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
HOOFDSTUK 4 › Paragraaf
Artikel 4:10
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Midden-Groningen 2020