**1..** Het college maakt in beginsel gebruik van de bevoegdheid tot:
het opschorten, herzien of intrekken van het recht op uitkering ingevolge artikel 54, derde en vierde lid Participatiewet en artikel 17, derde en vierde lid van de Ioaw en Ioaz, indien de uitkering ten onrechte, dan wel tot een te hoog bedrag is verleend;
het terugvorderen, zoals dit haar dit toekomt op grond van
artikel 58, tweede lid en artikel 59 van de Participatiewet; en
artikel 12, tweede lid, onderdeel c, artikel 39, eerste lid onderdeel a onder 3, artikel 39, tweede lid en artikel 41, vierde en vijfde lid Bbz; en
artikel 25, tweede lid en artikel 26 van de Ioaw en Ioaz;
het verrekenen van de bijstand zoals dit haar op grond van artikel 58, vierde lid van de Participatiewet, alsmede artikel 25, vierde lid van de Ioaw en Ioaz toekomt;
het verrekenen van de vordering van de Participatiewet, Ioaw- of Ioaz-uitkering, zoals dit haar op grond van artikel 60, derde lid Participatiewet alsmede artikel 28, derde lid Ioaw of Ioaz toekomt;
het bruteren van de vordering;
het invorderen van de vordering via een dwangbevel, zoals dit haar op grond van artikel 60, tweede lid van de Participatiewet alsmede artikel 28, eerste lid Ioaw en Ioaz toekomt; en
het verhalen van kosten van de uitkering, zoals bedoeld in paragraaf 6.5 van de Participatiewet.
**2..** De bevoegdheden genoemd in eerste lid, onderdelen a tot en met g gelden voor het college als algemene verplichtingen behoudens de in deze beleidsregels beschreven uitzonderingen.
HOOFDSTUK 1
Artikel 2