**1..** Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid de norm, bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de wet, lager vast te stellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning in de volgende situaties:
bij het niet aanhouden van een woning;
bij bewonen van een woning waarbij een derde de woonkosten en/of de woonlasten betaalt;
**2..** De verlaging bedraagt 20% van de gehuwdennorm als er in het geheel geen woning wordt aangehouden dan wel wordt verbleven in een instelling die niet als woning wordt aangemerkt.
**3..** De verlaging bedraagt 20% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor geen woonkosten en woonlasten verschuldigd zijn;
**4..** De verlaging bedraagt 10% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor alleen woonkosten of woonlasten verschuldigd zijn;
**5..** In situaties die niet onder lid 2, 3 of 4 van dit artikel vallen, maar waarbij wel sprake is van lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, wordt de verlaging afgestemd op de individuele situatie, waarbij de verlaging maximaal 20% van de gehuwdennorm bedraagt.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
– Ontbreken van woonkosten/woonlasten
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2020