Bij de verlening van bijzondere bijstand voor de hieronder vermelde specifieke kostensoorten gelden de daarbij vermelde bijzondere bepalingen:
Duurzame gebruiksgoederen:
bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen wordt verstrekt in de vorm van een geldlening.
bij de vaststelling van de hoogte van de bijstand voor duurzame gebruiksgoederen worden de mogelijkheden om gebruikte goederen aan te schaffen in aanmerking genomen.
wanneer bijstand verleend wordt voor woninginrichting, is de bijstand afgestemd op de noodzakelijke aan te schaffen duurzame gebruiksgoederen maar maximaal:
€ 2.005,00 alleenstaande kamerbewoner;
€ 2.835,00 alleenstaande zelfstandig wonend;
€ 3.972,00 gehuwden / gezin van 2 personen;
€ 4.661,00 gezin van 3 personen;
€ 5.258,00 gezin van 4 personen;
€ 6.267,00 gezin van 5 personen;
€ 382,00 voor elk inwonend ten laste komend kind meer;
€ 3.972,00 gedeeld door het aantal kostendelers voor een kostendeler.
wanneer er sprake is van het voor het eerst zelfstandig, of opnieuw zelfstandig wonen, niet zijnde het voor het eerst verlaten van het ouderlijk huis, wordt voor de kosten van de eerste huurnota bijzondere bijstand om niet verstrekt.
Levensonderhoud van personen van 18, 19 of 20 jaar als bedoeld in artikel 12 van de wet:
er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand voor zover de noodzakelijke kosten van zijn bestaan uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en voor deze kosten geen beroep kan worden gedaan op de ouders, omdat:
de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn, of,
de belanghebbende het onderhoudsrecht tegenover de ouders redelijkerwijs niet te gelde kan maken.
er bestaat alleen recht wanneer de belanghebbende zelfstandige huisvesting heeft én deze zelfstandige huisvesting noodzakelijk is.
De bijzondere bijstand wordt vastgesteld, rekening houdend met de individuele omstandigheden, doch maximaal op de ingevolge artikel 21 van de wet geldende norm voor een 21-jarige.
Woonkostentoeslag:
wanneer de woonkosten lager zijn dan de maximale rekenhuur op grond van de Wet op de huurtoeslag, bestaat recht op bijzondere bijstand voor woonkosten, als:
een huurwoning wordt bewoond, waarvoor recht bestaat op een huurtoeslag, maar deze toeslag als gevolg van een hoger inkomen in een voorliggende periode van het kalenderjaar lager is vastgesteld dan op basis van het actuele inkomen zou plaatsvinden;
een huurwoning, huurwoonwagen of huurwoonboot wordt bewoond, waarvoor nog geen recht of geen recht meer bestaat op een huurtoeslag, omdat een huurtoeslag uitsluitend wordt verstrekt wanneer gedurende de volledige maand huur verschuldigd is;
een eigen woning, woonwagen of woonboot wordt bewoond.
De bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag is gelijk aan de huurtoeslag, berekend volgens de Wet op de huurtoeslag bij een inkomen op het minimumniveau, verminderd met de toegekende huurtoeslag of een daarmee vergelijkbare bijdrage in de woonkosten.
Wanneer de woonkosten hoger zijn dan de maximale rekenhuur op grond van de Wet op de huurtoeslag, wordt de bijzondere bijstand in overeenstemming het gestelde onder b. berekend, met dien verstande dat de woonkosten die uitgaan boven de maximale rekenhuur volledig voor bijstand in aanmerking komen.
Aan de verstrekking van de onder c. bedoelde bijzondere bijstand wordt de verplichting verbonden, dat de belanghebbende zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twaalf maanden na aanvang van deze bijstand verhuist naar passende woonruimte, waarvoor aanspraak op huurtoeslag bestaat.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.6
- Specifieke kostensoorten
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2020