Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Investeringsbudgetten

Onderdeel van Budgethoudersregeling 2020 gemeente Rheden

Bij elke aanvraag voor opname van een investeringsbudget in het meerjarige Investeringsprogramma, levert de budgethouder een gedetailleerde onderbouwing aan waarin de relatie met de te leveren prestaties wordt gelegd (nut en noodzaak, de aard van de investering, de benodigde middelen, exploitatielasten, jaar van investering, verhouding werk voor derden/eigen beheer, relatie met ‘wat willen wij bereiken’ c.q. beoogde effecten in de programmabegroting). Het college stelt de investeringen via de begroting voor aan de raad die, door het vaststellen van de begroting, de bij de investering behorende kredieten voteert. Bij de opstelling van het investeringsbudget wordt rekening gehouden met de dan geldende begrotingsrichtlijnen. Verwachte afwijkende prijsstijgingen worden afzonderlijk aangegeven. Binnen de grenzen van de mandaatregeling, de Financiële verordening, de vastgestelde begroting en beschikbaar gestelde kredieten gelden de volgende bevoegdheden: tot € 5.000,00: zelfstandige bevoegdheid van de budgetbeheerder; vanaf € 5.000,00 tevens de instemming van de budgethouder. Als blijkt dat het goedgekeurde investeringsbudget ontoereikend is, gaat de budgethouder geen verplichtingen aan voordat de raad een aanvullend krediet heeft gevoteerd. Bij de jaarrekening meldt de budgethouder welke investeringen zijn gedaan en afgesloten. De budgethouder stelt binnen drie maanden na afronding van een investering een nacalculatie op en brengt dit ter kennis van het bevoegde orgaan (respectievelijk gemeentesecretaris en/of programma-eigenaar, college of raad). In deze nacalculatie komt aan de orde: de aanbestedingsresultaten; het verschil tussen voor- en nacalculatie en de verklaring daarvan; de vraag of het resultaat voldoet aan het vooraf geformuleerde programma van eisen. De nacalculatie wordt in het dossier van de betreffende investering gevoegd (zie artikel 3.3). Investeringsbudgetten en restanten daarvan worden afgeraamd indien deze aan het eind van het opvolgende begrotingsjaar niet zijn besteed. Hiervan kan worden afgeweken als de budgethouder door middel van een gedetailleerde onderbouwing kan aantonen dat de prestaties geheel of gedeeltelijk nog zullen worden geleverd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel