Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.1

Aanleiding

Onderdeel van Beleidsnotitie verbranden van afvalstoffen

Voorheen stond het Ministerie van VROM op het standpunt dat groenafval afgevoerd moest worden naar een biomassa-energiecentrale of composteerinrichting. Groenafval mocht uitsluitend worden verbrand als het niet op een andere manier kan worden verwerkt of als er sprake is van een besmettelijke ziekte. Deze houding zou naar verwachting leiden tot verwaarlozing van het onderhoud van landschappelijke elementen in het buitengebied vanwege hoge afvoer- en verwerkingskosten van het snoeiafval. Uit de kamerbehandeling van het wetsvoorstel is daarom een genuanceerder ontheffingenbeleid voorgesteld waarbij ontheffing kan worden verleend voor: Vreugdevuren, zoals bijvoorbeeld paas- of kampvuren (zie ook hoofdstuk 9). Instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van kleinschalig landschapsbeheer/-onderhoud (onderhoud landschappelijke elementen). Bestrijding van besmettelijke ziekten (zie ook hoofdstuk 10). Ontheffingen zijn mogelijk zolang het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Dit betekent uiteindelijk dat veel afvalstoffen niet mogen worden verbrand. Het verbranden van niet alleen gevaarlijke afvalstoffen, maar bijvoorbeeld ook huishoudelijke afvalstoffen brengt een onaanvaardbare verontreiniging van de lucht en bodem met zich mee. Het verbranden van afvalstoffen in de open lucht gebeurt namelijk niet onder ideale omstandigheden. Door een te lage temperatuur bij de ontbranding ontstaat er een onvolledige verbranding. Hierdoor wordt een aanzienlijke hoeveelheid schadelijke stoffen in de lucht geëmiteerd of blijft op of in de bodem achter. Door alleen het verbranden toe te staan voor de eerder genoemde categorieën wordt het milieu zo veel mogelijk beschermd.

Rechtspraak bij dit artikel