Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Criteria voor toekennen een individuele voorziening

Onderdeel van Beleidsregels jeugdhulp Montferland 2020

De verantwoordelijkheid van de ouders voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen is geregeld in de artikelen 82 en 247, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen (tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert). Dat vraagt een vraaggerichte houding van hulpverleners, waarbij uitgegaan wordt van de ‘eigen kracht’ van jongeren en ouders en het besef dat zij verantwoordelijk zijn voor zichzelf en, in het geval van ouders, ook voor hun kinderen. Hierop zijn zij ook aanspreekbaar. Dit betekent voor het Sociaal Team Jeugd praten met ouders en jeugdigen in plaats van over hen en in de hulpverlening aansluiten op wat mensen en hun sociale netwerk zelf kunnen. Normaliseren van opvoedvragen betekent, dat de hulpverlening zoveel mogelijk wordt verleend in de omgeving van het kind, thuis in het gezin, op school en in de buurt. Zorg, hulp en ondersteuning worden zo ingericht en opgezet dat een ‘normale’ manier van opgroeien en opvoeden wordt gestimuleerd. Dat betekent dat wordt uitgegaan van de mogelijkheden en de behoeften van de individuele jeugdigen en hun ouders en dat hulp en ondersteuning aanvullend is op wat ouders en jeugdigen zelf kunnen. Het Sociaal Team Jeugd wil ‘eigen kracht’ insteken vanuit het welbevinden en mogelijkheden van de jeugdige en/of een ouder; door niet het probleem te bespreken, maar juist te bespreken wat de jeugdige en/of een ouder kan. ‘Eigen kracht’ wordt daarmee op een positieve manier uitgangspunt van het gesprek. Het gebruik van ‘eigen kracht’ betekent ook dat de jeugdige en/of een ouder zelf voorziet in de kosten of voorziening die algemeen gebruikelijk zijn. Gebruik maken van eigen kracht betekent bijvoorbeeld dan ook dat eerst een beroep op zorgverlof gedaan wordt als dat mogelijk is en dat de kosten voor reguliere oppas/kinderopvang door ouders zelf worden opgevangen. Gebruik maken van de ‘eigen kracht’ veronderstelt daarnaast dat de jeugdige en/of een ouder zich voldoende verzekert, bijvoorbeeld door een passende aanvullende zorgverzekering af te sluiten die aansluit bij de situatie van de jeugdige en/of een ouder. Bij het onderscheid tussen ‘eigen kracht en de inzet van een individuele voorziening speelt onder andere mee: de aard en omvang van de hulp die op eigen kracht en binnen het eigen netwerk wordt geboden, de gebruikelijk zorg, de belastbaarheid van de ondersteuner uit het netwerk, en de noodzaak van continuïteit (of degene die de hulp biedt een keer kan overslaan bij ziekte of vakantie). Een individuele voorziening is aan de orde als tijdens het gesprek blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouders in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen of beperkingen, niet op eigen kracht, met hulp van andere personen uit de sociale omgeving, of met gebruikmaking van algemene of andere voorzieningen voldoende zelfredzaam of veilig zijn. De ‘goedkoopst adequate’ oplossing geldt als norm voor de te verstrekken voorziening. Indien er meerdere geschikte aanbieders zijn die allemaal een passende ondersteuning voor een specifieke cliënt kunnen leveren, wordt (indien de cliënt geen voorkeur heeft) de goedkoopste van deze geschikte aanbieders ingezet. Adequaat houdt in dat de voorziening haar doel moet bereiken op het gebied van ontwikkeling en zelfredzaamheid en past binnen de systeembenadering. Uitgangspunt hierbij is een (in de praktijk) bewezen effectieve methode die wordt aangeboden door een gekwalificeerde aanbieder. Voldoen meerdere voorzieningen aan dit criterium, dan zal het Sociaal Team Jeugd de goedkoopste voorziening toekennen. Het Sociaal Team Jeugd hanteert bij de beoordeling van de aanspraak op een individuele jeugdhulp voorziening als uitgangspunt: Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn ontwikkeling, opvoeding en zelfredzaamheid? Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn ontwikkeling, opvoeding en zelfredzaamheid te versterken, verbeteren of te behouden? Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, en/of algemene voorzieningen) om dit voorgaande te versterken of te verbeteren of te behouden? Welke mogelijkheden kan het Sociaal Team Jeugd bieden om de gewenste resultaten (passende bijdrage) te bereiken via een kortdurende (preventieve) ondersteuning of een collectieve, algemene voorziening? Zijn er weigeringsgronden en/of beperkende voorwaarden van toepassing volgens de Verordening of deze Beleidsregels? Pas als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het Sociaal Team Jeugd niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van individuele voorziening aan de orde. Dat moet blijken uit het gespreksverslag of het ondersteuningsplan van de cliënt. Er zijn situaties waaronder geen aanspraak op een individuele voorziening bestaat of kan bestaan. Meestal ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de ouder besloten in het niet kunnen doen van aanspraak op hulp. Onder de eigen verantwoordelijkheid valt normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten geacht worden elkaar te bieden. Deze hulp valt niet onder de jeugdhulp. Om na te gaan wat deze gebruikelijke hulp is, wordt gekeken naar de tijdsbesteding van de betreffende hulp. Het is gebruikelijk dat een ouder een jong kind eten geeft. Het Sociaal Team Jeugd beoordeelt of er sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de cliënt behoort. Onder gebruikelijke hulp verstaan we de “hulp” die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten". Men komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat normaal gesproken ouders voor hun kinderen doen. Voor zover er veel meer gedaan wordt als ouders normaalgesproken doen, spreken we van niet-gebruikelijke hulp. Bij niet-gebruikelijke hulp geldt dat je van ouders mag verwachten dat zij – binnen hun mogelijkheden – ook niet gebruikelijke hulp bieden. Ligt de niet-gebruikelijke hulp buiten de mogelijkheden van ouders, dan zal dit overgenomen moeten worden. Als dit met behulp van een persoonsgebonden budget gebeurt, kan dat uiteraard niet door de ouders ingevuld worden, omdat dit immers buiten hun mogelijkheden ligt. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al dan niet met bijvoorbeeld hulp van anderen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. Algemene maatstaven t.a.v. activiteiten of taken die in de persoonlijke levenssfeer onderling van elkaar verwacht worden, worden door het Sociaal Team Jeugd meegenomen bij de beoordeling. Ook worden de wettelijke regelingen voor verlof en arbeidstijden betrokken bij de vraag of gebruikelijke hulp kan worden verlangd. Denk aan het gebruik van verlofrechten, de mogelijkheid van aanpassing van de arbeidsduur, het opnemen van ouderschapsverlof, adoptie- en pleegzorgverlof en langdurend zorgverlof. De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. In kortdurende situaties wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging en begeleiding geven. Bij langdurige situaties valt alleen de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding onder gebruikelijke hulp. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp/zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp/zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het kan zijn dat de gebruikelijk hulp (substantieel) wordt overschreden. Per individueel casus zal de hulpbehoefte vastgesteld worden. Om vast te stellen hoeveel hulp precies gebruikelijk is, maakt het Sociaal Team Jeugd per individueel geval een afweging. Hiervoor moeten de specifieke individuele omstandigheden afgewogen worden. Vanwege deze individuele omstandigheden is een algemene beleidsregel over de hoeveelheid gebruikelijke hulp niet mogelijk. Zoals hierboven opgemerkt kan het zijn dat ook niet-gebruikelijke hulp door ouders geboden kan worden. In voorkomende gevallen kan een individuele voorziening aangewezen worden, tenzij aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van intensieve kindzorg op grond van de Zvw. Er wordt door het Sociaal Team Jeugd afgewogen of in de individuele situatie sprake kan zijn van een uitzondering op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp –al dan niet tijdelijk- moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast is (of dreigt te geraken) en niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. Overbelasting kan geen reden zijn om voor deze hulp een financiële vergoeding te ontvangen en deze hulp alsnog uit te oefenen. Overbelasting wordt alleen opgelost door de belasting te verminderen doordat een ander een deel van het werk overneemt. Geld neemt geen overbelasting weg. Een indicatie kan maximaal tot de 18e verjaardag van een jongere lopen en wanneer er geen verlengde jeugdhulp is aangevraagd of van toepassing is, loopt de indicatie af. Ruime tijd (één tot maximaal een half jaar) voor het bereiken van de meerderjarigheid gaat het Sociaal Team in overleg met de jongere en ouders om te bespreken of en welke vervolghulp eventueel nodig is. Noodzakelijke vervolghulp kan betekenen dat er verlengde jeugdhulp afgegeven wordt of dat een jongere overgaat naar voorzieningen vanuit een andere wetgeving, bijvoorbeeld WMO, zorgverzekeringswet of WLZ. In gedwongen kader: Het is de verantwoordelijkheid van de GI om voor de jongere een soepele overgang van 18- naar 18+ te realiseren. Ze nemen (ruim voor meerderjarigheid) contact op met ouders en het Sociaal Team om afspraken te maken over eventueel noodzakelijke vervolghulp. Pleegzorg tot 21 jaar: Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen voor het 21e jaar wanneer pleegkinderen dit zelf willen. Verlengde pleegzorg tussen 21 en 23 jaar: Het is mogelijk dat pleegzorg ook nog na de 21e verjaardag nodig is. Het college kan pleegzorg 'verlengen' totdat de jeugdige 23 jaar is. Voorwaarde is dat de jeugdige al pleegzorg ontvangt en voortzetting noodzakelijk is. Verblijf in gezinshuis is standaard tot 21 jaar tenzij: de jongere dat zelf niet wil; en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen; en/of voor alle partijen (inclusief de jongere) duidelijk is dat de jongere andere passende hulp nodig heeft, en die hulp ook beschikbaar is; en/of de jongere voldoet aan de criteria van de WLZ. Indien de hulp die niet door de gezinshuisouders wordt geboden of hulp die niet in het gezin (in het huis of het terrein) van en door de gezinshuisouders plaatsvindt kan men niet spreken van een indicatie 'gezinshuis'. Verlengde jeugdhulp na 18 jaar: De mogelijkheid tot verlenging van jeugdhulp na de leeftijd van 18 jaar geldt in de gevallen zoals omschreven in artikel 1.1. Daarin staat dat onder jeugdige ook wordt verstaan de jongere die de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van 23 jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van de jeugdwet: Is bepaald dat voortzetting van jeugdhulp8Jeugdwet art. 1.1: Jeugdhulp zoals bedoeld onder 1°ᴼ ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen. gestart voor het 18e levensjaar noodzakelijk is; Bepaald is, vóór het 18e levensjaar dat de jeugdhulp noodzakelijk is na het 18e levensjaar Bepaald is dat na beëindiging van jeugdhulp – die startte voordat de jongere 18 jaar was –, dat hervatting van deze hulp binnen 6 maanden noodzakelijk is. Indien voortzetting of hervatting van jeugdhulp na meerderjarigheid noodzakelijk is wordt geen eigen bijdrage conform WMO geheven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel