De parkeercapaciteit betreft het aantal parkeerplaatsen dat er feitelijk beschikbaar is voor een bepaalde functie in een bepaald gebied.
De parkeercapaciteit wordt eveneens bepaald aan de hand van een aantal deelstappen:
Bepaal het gebied om de parkeercapaciteit te bepalen;
Tel alle parkeerplaatsen in het plan;
Kwalificeer de getelde parkeerplaatsen en pas de parkeercapaciteit hierop aan:
er is een onderscheid tussen privéparkeerplaatsen en openbare parkeerplaatsen;
bij bepaalde typen parkeerplaatsen (opritten, garages e.d.) gelden afwijkende normen.
Bepaal het gebied waarbinnen de parkeercapaciteit gezocht kan worden. Parkeerplaatsen dienen op een acceptabele loopafstand van een bepaalde voorziening te liggen. Het is een kenmerk van automobilisten dat zij in het algemeen zo dicht mogelijk bij hun eindbestemming willen parkeren. Hoe verder beschikbare parkeerplaatsen van deze eindbestemming afliggen, hoe groter de kans dat er fout geparkeerd wordt en er parkeeroverlast ontstaat.
Tabel 2: vuistregels acceptabele loopafstand diverse functies
De acceptatie van een loopafstand wordt onder meer bepaald door de parkeermotieven, de aantrekkelijkheid van de looproute, de parkeerordening en de concurrentiekracht van alternatieven. Dit levert vuistregels op voor acceptabele loopafstanden (zie tabel 2). Het exact bepalen van de loopafstand is echter maatwerk. Ook bij het ontwikkelen van nieuwe wijken is het van belang om logische deelgebieden (bijvoorbeeld per straat) te onderscheiden. Dit is nodig om te voorkomen dat de totale parkeerbalans van een complete wijk kloppend is, maar op straatniveau er sprake kan zijn van een forse onbalans
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.3