De gemeente verzamelt alle voor het onderzoek en gesprek van belang zijnde gegevens over de jeugdige en zijn situatie. Op grond van het woonplaatsbeginsel wordt gecheckt of de gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp aan de jeugdige. Vervolgens wordt er zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen twee weken na de melding, een afspraak gemaakt met de jeugdige en/of zijn ouder(s) voor een gesprek.
De jeugdige en/of zijn ouder(s) verschaffen, zo mogelijk voor het eerste gesprek, aan de gemeente alle documenten die naar het oordeel van de gemeente voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Is er door de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan ingediend, dan wordt dit betrokken bij het onderzoek.
Tijdens het onderzoek, in de meeste gevallen tijdens het gesprek, wordt de identiteit van de jeugdige en/of zijn ouder(s) aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht vastgesteld.
Hoofdstuk 1
Artikel 1.1.2