De gemeente is naast de verantwoordelijkheid voor het leveren van zorg aan de inwoners die het nodig hebben, ook verantwoordelijk voor de financiële huishouding van de gemeente. Om de benodigde zorg ook in de toekomst te kunnen blijven leveren, zal er kritischer gekeken moeten worden naar de inzet hiervan. Uitgangspunt is dat de zorg en ondersteuning zo licht mogelijk, zo kort mogelijk maar wel adequaat en passend binnen verantwoorde financiële kaders moet worden ingezet.
Is ondersteuning vanuit de gemeente nodig, dan wordt samen met de inwoner bepaald welke doelen en resultaten behaald moeten worden met de ingezette ondersteuning. Het Twents model biedt hiervoor een basis waarmee passende ondersteuning, de juiste zorgaanbieder en het benodigde budget kunnen worden bepaald. Onderstaande uitgangspunten en richtlijnen maken het mogelijk om beter te sturen op wat de meest adequate en goedkoopste ondersteuning is. Deze uitgangspunten en richtlijnen gelden integraal voor het vaststellen van de benodigde ondersteuning, zowel voor de zorg in natura (ZIN) als voor een persoonsgebonden budget (Pgb).
Uitgangspunten
Bij discussie over de vraag of een voorliggende voorziening voldoende is, wordt van de inwoner gevraagd aan te tonen dat een maatwerkvoorziening nodig is.
Een maatwerkvoorziening is gewenst wanneer een inwoner, zonder de inzet van een professional in een sociaal isolement terecht komt, vaardigheden kwijtraakt, en/of activering nodig heeft om zelfstandig te blijven of te worden.
De maatwerkvoorziening moet zo licht mogelijk, zo kort en zo adequaat/goedkoop mogelijk worden ingezet. Bij de inzet van ondersteuningsbehoefte groep wordt in principe eerst naar een passend/adequaat aanbod zo dichtbij mogelijk gezocht, vervolgens binnen de woonwijk en vervolgens binnen de gemeentegrenzen.
Steeds wordt de vraag gesteld of de ondersteuning bijdraagt aan het doel c.q. het resultaat dat moet worden bereikt. De toegangsmedewerker bepaalt in het ondersteuningsplan binnen welke termijn het afgesproken resultaat/doel moet worden behaald en hoeveel minuten of dagdelen ondersteuning daarvoor nodig zijn. Daarnaast worden afspraken gemaakt over de evaluatiemomenten.
Richtlijnen
Uitgangspunt is dat bij de toe te kennen maatwerkvoorziening zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de hieronder genoemde richtlijnen. Dit neemt niet weg dat er natuurlijk maatwerk per individu moet worden geleverd en toegangsmedewerkers hiervan gemotiveerd kunnen afwijken.
Wanneer de gevraagde inzet van ondersteuning meer is dan 4 uur of 4 dagdelen per week, overlegt de toegangsmedewerker met collega’s over de onderbouwing.
Wanneer de gevraagde inzet van ondersteuning 8 dagdelen of meer is per week of de toegangsmedewerker dit passend acht, vindt doorverwijzing plaats naar zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
Er wordt waar mogelijk gestuurd op resultaten per individu, dus bijvoorbeeld niet één ondersteuningsniveau voor alle gezinsleden, maar doelen en inzet per gezinslid.
Ondersteuningsbehoefte groep wordt zo dichtbij mogelijk gezocht. Heeft de inwoner een indicatie voor vervoer en wil hij, ondanks een passende optie dichterbij, toch naar een voorziening verder weg, dan komen de meerkosten die de gemeente heeft aan dit vervoer voor zijn rekening. De meerkosten zijn per inwoner en locatie verschillend. Dit heeft te maken met de verschillende locaties en bijbehorende afstanden.
II. Te bepalen dat deze beleidsregels in werking treden op de dag, volgende op die van haar bekendmaking. Op hetzelfde tijdstip worden de Beleidsregels begeleiding: ondersteuningsbehoeften Wmo 2015, met kenmerk 2019-020347, die zijn vastgesteld op 1 oktober 2019, ingetrokken.
Burgemeester en wethouders voornoemd,
de secretaris, de burgemeester,
Artikel 6
Uitgangpunten en richtlijnen
Onderdeel van Beleidsregels begeleiding: ondersteuningsbehoeften Wmo 2020