Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;
aanbieders worden verplicht gesteld kosteloos hun medewerking te verlenen aan onderzoeken door of namens het college;
het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;
het college beperkt de looptijd van de indicaties of voert periodiek controles uit bij langlopende indicaties;
het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op:
de regiemogelijkheden van de jeugdige en/of zijn ouders of degene die de jeugdige of zijn ouders daarvoor wenst in te schakelen;
de kwaliteit van de invulling van het door de jeugdige of zijn ouders te overleggen zorg- budgetplan, mede met het oog op de te bereiken resultaten;
de kwaliteit van de aanbieder die door jeugdige of zijn ouders wordt ingezet;
het college zet geen pgb in bij een aanbieder die naar het oordeel van de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd niet voldoet aan door de inspectie gestelde kwaliteitseisen. Aanbieders die nog niet bekend zijn bij de inspectie worden voorafgaand aan het toewijzen van een pgb aangemeld bij de inspectie om te onderzoeken op voldoende kwaliteit;
het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1.9