Als de melding als niet-onderzoekswaardig wordt aangemerkt, wordt deze als zodanig – voorzien van een onderbouwing - voorgelegd aan de verantwoordelijke. Na besluitvorming hierover wordt de melder in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. In de brief wordt uitleg gegeven over de reden waarom er geen verder onderzoek wordt gedaan en wordt, indien van toepassing, verwezen naar de persoon of instantie waar de melder wel terecht kan. De melding wordt afgesloten en als niet-onderzoekswaardig vastgelegd.
Voor de gevallen dat onderzoek zonder het prijsgeven van de identiteit van de melder niet mogelijk is, en de melder vast wil houden aan het niet prijsgeven van zijn identiteit in relatie tot de melding, en een andere ingang voor het onderzoek ontbreekt, wordt de melding als ‘niet-onderzoekswaardig’ aangemerkt.
Voor de gevallen waarbij op basis van de intake het vermoeden bestaat dat met opzet een onterechte melding heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld uit rancune) kan de verantwoordelijke besluiten tot een disciplinair onderzoek jegens de melder. De uitkomst daarvan kan leiden tot een rechtspositionele maatregel.
Artikel 5.2