Het gaat bij de verzorgen van de (brood)maaltijd om cliënten die door een beperking (tijdelijk) hun maaltijd niet kunnen bereiden en (nog) geen medische indicatie hebben. Wat betreft de wetgeving zijn er drie groepen cliënten te onderscheiden:
De cliënten met persoonlijke verzorging (pv) en een medische indicatie dat zij hun maaltijden niet meer zelf kunnen bereiden (en soms ook eten). Voor deze groep valt de maaltijdverzorging onder de Zorgverzekeringswet.
De cliënten met pv zonder medische indicatie voor maaltijdverzorging. De pv is dan ingezet voor andere handelingen zoals douchen of medicijnen geven.
De cliënten met alleen huishoudelijke hulp die, al dan niet tijdelijk, hun maaltijd niet kunnen bereiden.
Voor de eerste groep is het duidelijk dat de maaltijdvoorziening onder Zwv valt, de derde groep valt onder de Wmo en voor de 2e groep bleek er na 1 januari 2015 een afbakeningsprobleem te zijn.
Het leidend principe dat met de zorgaanbieders is afgesproken is dat de cliënt zo min mogelijk last mag hebben van de bovengenoemde knip en dat betekent dat het aantal mensen dat over de vloer komt zo minimaal mogelijk moet worden gehouden.
Vaak is de verzorgende die de pv levert degene die vaak langskomt en daarom is het wenselijk om deze persoon ook de broodmaaltijd te laten verzorgen. Het alternatief is dat de gemeente de maaltijdverzorging op zich neemt voor deze cliënten. Het gevolg is dan dat er een aanvullende indicatie moet worden gesteld en dat er twee verschillende zorgverleners na elkaar bij iemand over de vloer komen. Dit is niet wenselijk. Met resultaatgebied 2 en zo nodig resultaatgebied 8 kan een zorgaanbieder de cliënten die onder groep 2 vallen bedienen. Een juiste afstemming blijft noodzakelijk.
Hoofdstuk › Paragraaf
Artikel 4.3.3