Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Individuele gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van bestuurders nabij woning/werk (artikel 12 BABW)

Onderdeel van Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft houdende regels omtrent gehandicaptenparkeerplaatsen (Beleidsregels Gehandicpatenparkeerplaats)

2.1. De aanvraag dient te bevatten: het aanvraagformulier voor de gehandicaptenparkeerplaats. Op dit aanvraagformulier machtigt de aanvrager de Gemeente om gebruik te mogen maken van het indicatiebesluit waaruit de geschatte maximale loopafstand (met de gebruikelijke loophulpmiddelen) (0-50/50-100/100-200 meter) van de gehandicapte blijkt. 2.2. Voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van bestuurders kunnen in aanmerking komen: bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen, brommobielen en van gehandicaptenvoertuigen, die beschikken over een rechtsgeldige Europese dan wel een gehandicaptenparkeerkaart op basis van de Regionale gehandicaptenparkeerkeerregeling Haaglanden, die nog minimaal een ½ jaar geldig is. 2.3. De aanvrager beschikt niet over parkeergelegenheid op eigen terrein zoals bedoeld in artikel 6, met dien verstande dat de parkeergelegenheid op eigen terrein zich niet verder van de woning van de aanvrager bevindt dan de maximaal in het indicatiebesluit vastgestelde loopafstand. Het is voor de aanvrager ook niet mogelijk om een parkeergelegenheid op eigen terrein te creëren. 2.4. De aanvrager kan blijkens de uitkomst van het verkeerstechnisch onderzoek, zoals omschreven in artikel 6 van deze beleidsregels, niet beschikken over voldoende beschikbare parkeergelegenheid binnen de maximaal in het indicatiebesluit vastgestelde loopafstand. 2.5. De werkgever is verantwoordelijk voor een parkeerplek voor gehandicapten op het terrein van de werkgever. Alleen indien de werkgever geen ruimte op eigen terrein heeft, kan worden uitgeweken naar de openbare ruimte. Indien wordt uitgeweken naar de openbare ruimte geldt dat er een tijdsbeperking op de plek kan worden gelegd. 2.6. De aanleg van een individuele gehandicaptenparkeerplaats mag geen negatieve gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid, de doorstroming van het verkeer en de aard van het gebied (autoluw). 2.7. Voor individuele gehandicaptenparkeerplaatsen ten behoeve van bestuurders die aangelegd worden op een particulier terrein van derden heeft de gemeente Delft vooraf toestemming nodig van de eigenaar van het terrein waarop de gehandicaptenparkeerplaats gerealiseerd dient te worden. 2.8. Voor toewijzing van een individuele gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van bestuurders dient de aanvrager, dan wel diens huisgenoot, eigenaar te zijn van een motorvoertuig. Indien hij geen eigenaar is van het motorvoertuig waarvoor hij de aanvraag doet, een verklaring te overleggen waaruit blijkt dat het motorvoertuig wordt gehuurd of geleast. 2.9. Een individuele gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van bestuurders wordt gerealiseerd door plaatsing van twee tegels met het gehandicaptenlogo en het bord E6 van bijlage 1 van het RVV met een onderbord waarop het kenteken staat vermeld van het motorvoertuig van de aanvrager.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel