De gemeente Aalsmeer vindt kwalitatief goede kinderopvang zeer belangrijk. Het uitvoeren van de toezichts- en handhavingstaken ziet zij daarom als essentiële voorwaarde om te komen tot een kwalitatief goede kinderopvang. Dit houdt in geregistreerde kinderopvang die voorziet in een veilige en gezonde omgeving voor de op te vangen kinderen en waar vaste en vertrouwde personen bijdragen aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling en de kinderen normen en waarden meegeven die in het onderwijs en in de maatschappij van belang zijn. Hierbij streeft het college een goede relatie met de houder na en werkt het vanuit vertrouwen.
Het college zet drie rollen in om te sturen op de kwaliteit van kinderopvang: die van vergunningverlener, toezichthouder en handhaver.
Bij vergunningverlening is het college streng aan de poort. Ouders moeten er op kunnen vertrouwen dat de kinderen vanaf de eerste dag in een veilige en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Hoe wij dit willen bereiken staat verder uitgewerkt in hoofdstuk 5.1.
Toezicht en handhaving heeft als doel het waarborgen van veilige en kwalitatief goede kinderopvang en het effectief bijdragen aan naleving van de kwaliteitseisen. Om dit te bereiken houdt de GGD risicogestuurd toezicht op naleving van de kwaliteitseisen (meer waar nodig, minder waar kan) en richt de handhaving hiervan zich niet alleen op eenmalig herstel, maar op langdurige verbetering en voorkoming van recidive.
Als er sprake is van een overtreding dan is het uitgangspunt om actief in te grijpen met een handhavingsmaatregel. Daarbij worden feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan meegewogen.
Voor de gastouderopvang gelden andere eisen en verantwoordelijkheden. Het college breidt het toezicht uit en houdt bij de handhaving rekening met de andere aard van deze opvang.
Deze beleidsregels richten zich op het opheffen en voorkomen van overtredingen in plaats van op het bestraffen van overtredingen. Om die reden wordt dan ook geen gebruik gemaakt van de bestuurlijke boete.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.2