Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is en/of het risico op een ongeval waarbij een stationaire bron een potentieel druk- of inslageffect kan veroorzaken. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation, en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen die gevaarlijke stoffen vervoert. In dit hoofdstuk zal expliciet nader worden ingegaan op de twee grootste inrichtingen en de gevolgen voor de externe veiligheid. Dit zijn het munitiecomplex ’t Kuitje welke is gelegen direct ten noorden van het verordeningsgebied en de Gasbehandelingsinstallatie van de NAM.
Stationaire bronnen
Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het besluit verplicht gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Zowel het plaatsgebonden- als het groepsrisico is hierbij van belang.
Het plaatsgebonden risico is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. In een nieuwe situatie bedraagt de norm voor kwetsbare objecten (zoals woningen), de kans van 1 op 1 miljoen. Dit wordt aangegeven met een zogenaamde 10-6 contour. Nieuwe kwetsbare objecten zijn binnen deze contour niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals bedrijven waarin weinig personen aanwezig zijn) geldt de 10-6 contour als richtwaarde.
Het groepsrisico is een maat om de kans weer te geven dat een incident met een groep dodelijke slachtoffers ontstaat. Het gebied waarbinnen het groepsrisico dient te worden beschouwd is het invloedsgebied. Aan het groepsrisico zijn geen normen verbonden. Wel noemt het Bevi een oriënterende waarde, deze dient als ijkpunt. Een toename van het groepsrisico dient verantwoord te worden. Het gaat daarbij uiteindelijk om een bestuurlijke afweging van de risico's tegen de maatschappelijke baten en kosten van een (risicovolle) activiteit.
4.4.1.Munitiecomplex ‘t Kuitje
Ten noorden van het verordeningsgebied is op de Marinehaven een munitiedepot gelegen welke plaatselijk bekend is als ’t Kuitje. In de omgeving en ook binnen het plangebied van deze opslag gelden beperkingen voor het gebruik van gronden en gebouwen.
Het beleid voor de externe veiligheid rond munitiecomplexen is vastgelegd in artikel 2.6.7 van de Barro. Dit artikel omvat:
welke veiligheidszones van toepassing zijn rond munitieopslagen
beoogt de veiligheidssituatie rond munitieopslagen te bevorderen door opname van de veiligheidszones met hun beperkingen in bestemmingsplannen
geeft normen voor historische strijdigheden binnen de veiligheidszones
formuleert het uitgangspunt dat bestaande risiconiveaus minimaal moeten worden gehandhaafd en dus niet mogen verslechteren.
In de nota wordt gewerkt met A-, B- en C-veiligheidszones:
de A-zone ligt direct om het complex: geen bebouwing, openbare wegen, spoorwegen of druk bevaren waterwegen, geen parkeerterreinen, geen recreatie, beperkt agrarisch grondgebruik
de B-zone (circa 1,5 maal de A-zone): geen bebouwing waarin zich regelmatig personen bevinden, geen aanleg van drukke verkeerswegen wel wegen met beperkt verkeer en extensieve dagrecreatie
de C-zone (circa 2 maal de B-zone): geen gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructies en gebouwen met grote glasoppervlakken.
De externe veiligheidscontouren vallen voor wat betreft de A-, B- en C-zone voor een deel in het verordeningsgebied. Voor een deel lopen deze zones in andere ruimtelijke plannen. De zones en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn al verwerkt in die plannen.
De externe veiligheidscontouren zijn op de verbeelding behorende bij de regels opgenomen. Binnen deze contouren is middels algemene bepalingen (artikel 13) het niet mogelijk nieuwe gebouwen en bouwwerken te realiseren.
In verband met de gevolgen van deze zonering ten gevolge van het munitiedepot op ’t Kuitje zijn de risicosituatie nader beoordeeld. In het schrijven (d.d. 27 februari 2002, kenmerk MG20020000460 dossier 13-20-16) van het Ministerie van Defensie is door de Staatssecretaris een eindadvies gegeven betreffende de veiligheid rond het munitiecomplex ’t Kuitje te Den Helder. Overleg tussen het Ministerie van VROM, de Gemeente Den Helder, de Koninklijke Marine, de Provincie Noord Holland en het HHNK heeft geleid tot de volgende aanbevelingen om het probleempunt op te lossen. Gedurende dit overleg is naar voren gekomen dat veranderingen die leiden tot een toename van activiteiten binnen de veiligheidszones rond het munitiecomplex nooit doorgevoerd mogen worden zonder dat daarbij overleg is gevoerd met alle betrokken partijen. Een voorwaarde daarbij is dat de gevolgen voor de veiligheid in beeld gebracht zijn. Veranderingen mogen nooit leiden tot een verslechtering van de veiligheidssituatie binnen de zones.
Binnen het plangebied hoeft geen aanpassingen te worden aangebracht, zoals hierboven al is aangegeven. Er gelden alleen beperkingen ten aanzien van het realiseren van gebouwen en ten aanzien van het gebruik van de gronden binnen de A- en B- zone. Zoals aangegeven is dit gebeurd door middel van de aanvullende bestemming.
Hierdoor kan ook worden geconstateerd dat het bestemmingsplan in dit opzicht uitvoerbaar is.
Slotbeschouwing
Met de uitvoering van de aanbeveling wordt voldaan aan het criterium van een acceptabele veiligheidssituatie rond het munitiemagazijnencomplex ’t Kuitje op het marinehaventerrein.
4.4.2.Gasbehandelingsinstallatie van de N.A.M
De gasbehandelingsinstallatie van de N.A.M betreft een mijnbouwinstallatie.
Tot op heden is het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet van toepassing op mijnbouwinstallaties.
Mede naar aanleiding van een uitspraak van de Raad va State met betrekking tot het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan ‘luchthaven Den Helder 2013” welke betrekking heeft op de Gasbehandelingsinstallatie van de NAM (uitspraak 201400069/1/R1) blijkt dat de tot dat moment gehanteerde veiligheidscontouren (QRA) met betrekking tot externe veiligheid niet voldoen vereiste rekenmethoden.
Het Staatstoezicht op de Mijnen heeft op 2 juli 2010 in een brief, die tevens is gepubliceerd op de website van het Ministerie van Economische Zaken, medegedeeld dat wordt gewerkt aan de aanwijzing van de mijnbouw in de Revi, maar dat er nog enige tijd nodig is om een aantal keuzes voor de rekenmethode te onderbouwen. Verder is vermeld dat vooruitlopend op de aanwijzing van mijnbouwlocaties in de Revi, wordt verwacht dat de in te leveren QRA’s worden uitgevoerd met het rekenprogramma Safeti-NL en overeenkomstig de bestaande Handleiding Risicoberekening Bevi. In aanvulling hierop wordt een bijlage "Interim handleiding risicoberekeningen externe veiligheid" (hierna: interim handleiding) bijgevoegd, welke dient als tijdelijke specifieke aanvulling voor mijnbouwlocaties op de bestaande Handleiding Risicoberekeningen Bevi, aldus de brief.
Doordat is aangegeven dat de in te leveren QRA’s dienen te worden uitgevoerd met het rekenprogramma Safeti-NL en overeenkomstig de Handleiding Risicoberekening Bevi en de interim handleiding kan een veiligheidscontour pas worden opgenomen als voldaan is aan bovenstaande. Dit heeft tot gevolg dat allen tot nu toe bestaande risicocontouren geen juridische basis hebben en in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet kunnen worden opgenomen in ruimtelijke plannen.
Het directe gevolg is dat de in het bestemmingsplan Oostoever 2004 opgenomen veiligheidscontouren in de onderhavige beheersverordening geen directe werking mogen hebben. Om deze reden zullen de in dat plan opgenomen risicocontourlijnen (gasbehandelingsstation) op tekening P1 en P2 niet van toepassing worden verklaard op deze beheersverordening
4.4.3Civiele- en marine luchthaven
Ten oosten van het verordeningsgebied is de militaire en civiele luchthaven De Kooy /Den Helder Airport gelegen, waarbij de Barro de gronden aanwijst als militaire luchthaven. Het militaire deel van de luchthaven betreft een defensie-inrichting.
Ten aanzien van de civiele- en marine luchthaven zijn er geen veiligheidszoneringen bekend. Verwacht wordt dat een ministeriële AMvB waarin eventuele veiligheidscontouren worden aangegeven medio 2016 bekend wordt gemaakt.
Voor het overige activiteiten op het terrein zijn er geen ruimtelijke gevolgen.
Op grond van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ geld voor defensie-inrichtingen een voorkeursafstand van 100 meter. Omdat de beheersverordening geen gevoelige bestemmingen bevat welke zijn gelegen binnen deze afstand heeft dit verder geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van de beheersverordening.
4.4.4Hogedruk transportleidingen
Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen brengt risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een leidingbreuk gas kan vrijkomen. Een combinatie van verschillende aspecten is bepalend voor het risiconiveau voor specifieke tracés van buisleidingen:
Onder andere de maximale werkdruk, diameter, wanddikte, staalkwaliteit en diepteligging van de leiding;
Het aantal mensen langs de route, dat bepalend is voor het mogelijk aantal dodelijke slachtoffers.
Ten westen van het verordeningsgebied lopend tot op het terrein van de Gasbehandelingsinstallatie van de NAM lopen een aantal hogedruk transportleidingen (zie tabel 1). De diameter en druk van de leidingen, die bepalend zijn voor de aan te houden afstanden tussen de bebouwing en de betreffende buisleiding, variëren.
Tabel 1: Aardgastransportleidingen
Leidingnummer
Diameter
Werkdruk (bar)
Leidingeigenaar
W-574-03
8”
40
W-574-08
8”
40
N.V. Nederlandse Gasunie
W-574-12
8”
40
N.V. Nederlandse Gasunie
A-616-KR
48”
66
N.V. Nederlandse Gasunie
A-591-KR
42”
66
N.V. Nederlandse Gasunie
A-593
36”
66
N.V. Nederlandse Gasunie
K-13 (WN-2212)
36”
100
Wintershall Noordzee B.V.
NP-007-3
24”
100
NAM
NP-024
36”
110
NAM
Beleid buisleidingen
Het beleid ten aanzien van buisleidingen is verwoord in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Dit besluit is op 1 januari 2011 in werking getreden en is ook opgenomen in de Barro. Het doel van het Bevb is het formuleren van veiligheidseisen, het borgen van de planologische inpassing van buisleidingen in bestemmingsplannen en het regelen van adequaat toezicht. Het Bevb regelt op vergelijkbare wijze als in het Bevi de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke kenmerken van een buisleiding als transportmodaliteit. Het externe veiligheidsbeleid omvat mede de ruimtelijke doorwerking van risicobeleid in ruimtelijke plannen vanwege de veiligheidsaspecten van het bouwen in de buurt van risicovolle activiteiten.
Belemmeringenstrook
Op grond van artikel 14 van het Bevb, moet de ligging van buisleiding in het plangebied, evenals de daarbij behorende belemmeringenstrook van ten minste vijf meter (gemeten vanuit het hart van de buisleiding) in het bestemmingsplan worden vastgelegd. In de verbeelding waarna deze beheersverordening verwijst is deze belemmeringenstrook aanwezig. Daarnaast liggen de buisleidingen binnen een leidingstrook, die voorzien is van een dubbelbestemming die ongewenste bouw en aanlegmogelijkheden voorkomen.
Plaatsgebonden risico
Voor de aanwezige buisleidingen geldt dat geen van deze een PR=10-6 contour heeft.
Groepsrisico
De beheersverordening is een conserverend en voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen binnen de invloed gebieden van de leidingstroken.
Indien toekomstige ontwikkelingen nieuwe bebouwing en gebruik toelaat, zal toename van het groepsrisico conform artikel 12 lid 1 Bevb, verantwoord moeten worden. Dit kan met het model CAROLA. Deze verantwoording hoeft echter niet uitgebreid te zijn (beperkte vorm).
Voor het verordeningsgebied heeft een risico inventarisatie plaatsgevonden met behulp van het model Carola. Deze verantwoording is opgenomen n het rapport van Adviesgroep AVIV d.d. 26 januari 2011. Uit deze rapportage blijkt dat er geen gevolgen zijn ten aanzien van het groepsrisico.
Maatgevende scenario's buisleidingen
Voor de hoge druk aardgastransportleiding is het maatgevende scenario een volledige breuk van de leiding. Hierbij ontstaat een verticale jet die na ontsteking in een fakkel resulteert. Deze fakkel kan tot een hoogte van enkele tientallen meters reiken. De effectafstanden als gevolg van de warmtestraling zijn hierdoor groot.
De Gasunie heeft voor verschillende aardgastransportleidingen berekend wat de warmtestraling (gerelateerd aan de afstand) is, indien een breuk optreedt en een brandende verticale fakkel ontstaat. Voor de onderhavige buisleidingen gelden de volgende afstanden.
Binnen de contour van 10 kW/m2 moet rekening gehouden worden met het ontstaan van secundaire branden. Buiten de contour van 3 kW/m2 is een inzet van de brandweer mogelijk met beschermende kleding en ademlucht. De inzetduur binnen deze contour is echter zeer beperkt. Voor onbeschermde hulpverleners en omstanders geldt de contour van 1 kW/m2.,
Bestrijdbaarheid scenario's buisleidingen
Bij een breuk moet er vanuit gegaan worden dat het gasmengsel snel ontsteekt. Hierbij zal een fakkelbrand ontstaan. Ook na het stoppen van de toevoer zal er enige tijd overheen gaan voordat de leiding leeg gebrand is. Belangrijk aandachtspunt vanuit de brandweer/rampenbestrijding is dat in geval van een lekkage van een aardgastransportleiding, met of zonder fakkel, de lekkage niet door de
brandweer te verhelpen is. Dit kan alleen door de beheerder van de leiding (Gasunie, NAM etc.) zelf worden uitgevoerd. Bij een lekkage zonder ontsteking zal terughoudend opgetreden worden door de hulpdiensten in verband met mogelijke ontsteking. Vanzelfsprekend lijdt dit tot een gespannen situatie door de noodzakelijke ondersteuning van de evacuatie. De inzet zal zich dan ook richten op de effectbestrijding. Door de hittestraling ontstaat in het plangebied een dreiging van secundaire branden. De aangestraalde objecten zullen gekoeld moeten worden.
Zelfredzaamheid
Met betrekking tot de zelfredzaamheid zijn twee relevante gebieden binnen het invloedsgebied te onderscheiden, In het gebied met een 100% letaliteit (inpandig en uitpandig) is vluchten de enige optie om te overleven. In het gebied hierachter biedt het schuilen tegen de hittestraling de grootste overlevingskans. Binnen de 100% letaliteitzone moeten daarom geen functies bestemd voor verminderd zelfredzame personen worden toegelaten. De 1% letaliteitzone voor deze leidingen reikt tot ca. 500 meter. De aanwezigheid van voornamelijk zelfredzame personen binnen deze zone betekent dat bij een eventuele calamiteit een (gedeeltelijke) evacuatie succesvol kan verlopen. Een expliciete communicatie vooraf over de risico's en de handelingsperspectieven bij een incident met gevaarlijke stoffen kan een substantiële bijdrage leveren aan het vergroten van de zelfredzaamheid en overlevingskansen van de aanwezigen.
In de beheersverordening is in de regels een dubbel bestemming opgenomen met een breedte van maximaal 5 meter aan weerszijden van de leidingen bereikt dat er zich in de zone geen gebouwen mogen worden opgericht. Hiermee voldoet de beheersverordening aan de regelgeving ten aanzien van de veiligheid van buisleidingen.
Mobiele bronnen
4.4.6Transport gevaarlijke stoffen Den Helder
Algemeen
In de gemeente Den Helder zijn verschillende inrichtingen aanwezig waar vandaan of naartoe gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de inventarisatie ‘Vervoer van gevaarlijke stoffen, noodzaak van en mogelijkheden voor routering in Den Helder’ uitgevoerd door DHV BV, komt naar voren dat er zich geen knelpunten voordoen in het plangebied ten aanzien van externe veiligheid en het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Vervoer gevaarlijke stoffen per spoor
Op een afstand van 1400 meter tot het verordeningsgebied is een gedeelte van het tracé van de spoorlijn Amsterdam naar Den Helder gelegen. Over dit traject worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. Dit betekend dat er geen risicocontour voor gevaarlijke stoffen naast de spoorlijn ligt. Op dit moment ligt er op deze lijn geen reservering van ProRail voor het vervoer per spoor van gevaarlijke stoffen. Ook in het zogenaamde basisnet wordt geen vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor voorzien door de gemeente Den Helder.
Vervoer gevaarlijke stoffen over water
Het Noordhollandsch Kanaal is aangewezen als transportroute van gevaarlijke stoffen over water. Gezien het gering aantal transportbewegingen vormt deze route echter geen belemmeringen.
Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg
Binnen het plangebied is de N99 gelegen en parallel aan het Noordhollandsch Kanaal is direct naast het plangebied de N250 gelegen. Over deze wegen wordt met een zekere frequentie gevaarlijke stoffen worden getransporteerd.
Voor beide wegen geldt echter dat er geen plaatsgebonden risicocontour (PR=10-6) aanwezig is met de aanwezige transportaantallen. De normen voor het plaatsgebonden risico vormen daarmee geen belemmering voor deze beheersverordening.
Conform de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen moet het groepsrisico worden verantwoord als er sprake is van:
een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico, of;
een toename van het groepsrisico.
Met betrekking tot de N99 en de N250 is berekend dat de oriëntatiewaarde voor groepsrisico 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijft.
Gezien de bovenstaande kan worden gesteld dat het groepsrisico ruim onder de oriëntatiewaarde van het groepsrisico blijft. Hierdoor is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. Een advies door de VRNHN ten aanzien van de voorbereiding op grootschalige rampen/ incidenten en de bestrijding daarvan is daarom niet vereist.
Conclusie
De beheersverordening is conserverend van opzet waarin geen ‘bijzondere objecten’ mogelijk worden gemaakt. Om deze reden zullen er met deze beheersverordening geen knelpunten gaan voordoen ten aanzien van de route gevaarlijke stoffen. Dit geld voor het transport van gevaarlijke stoffen over de in het plan begrepen wegen, water en spoorwegen.
4.4.7 Externe veiligheid in relatie tot de beheersverordening
Externe veiligheid levert in de huidige situatie van het verordeningsgebied geen nieuwe negatieve effecten op. De bestaande externe veiligheidsrisico’s in het bijzonder ten gevolge van de Gasbehandelingsinstallatie van de NAM komt voort uit verleende milieuvergunningen uit het verleden. Het plan is conserverend en voorziet niet in een uitbreiding van externe veiligheidsrisico’s.
In de toekomst zal de GBI worden voorzien van actuele veiligheidscontouren. Deze zullen worden vastgelegd in een nieuwe actuele milieuvergunning voor de GBI. Deze contouren zullen wanneer vastgesteld worden opgenomen in een dan op te stellen van een nieuw bestemmingsplan. Aangezien een beheersverordening conserverend van aard is voorziet deze niet in deze nog vast te stellen externe veiligheidscontouren.
Ten aanzien van de andere externe veiligheidsaspecten is de beheersverordening niet in strijd met de daar geldende bepalingen ten aanzien van externe veiligheid.
Hoofdstuk 4.
Artikel 4.4
Externe veiligheid
Onderdeel van Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Den Helder houdende regels omtrent ruimtelijke invulling voor de Oostoever