Naar hoofdinhoud
In artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 is bepaald dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op enige andere wetten. De onderdelen b, c en d benadrukken dat de maatwerkvoorziening afgestemd moet worden met zorg, hulp en andere diensten uit het sociale domein. De formulering ‘voor zover daartoe aanleiding bestaat’ maakt duidelijk dat het college alleen dan tot deze afstemming verplicht is als de tijdens het onderzoek verzamelde gegevens daar aanleiding toe geven. De afstemming kan inhouden dat het college de aanvrager indien nodig verwijst naar de Zorgverzekeringswet, Wet op de jeugdzorg/Jeugdwet, Participatiewet etc. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat het college de cliënt kan wijzen op rechten op grond van andere wetten. Nergens blijkt echter uit dat andere wetten voorliggend zijn en of de aanspraak op een andere wettelijke regeling tot een afwijzing van de aanvraag op grond van de Wmo 2015 leidt in de visie van de wetgever. Het onderzoek zal dus steeds moeten uitwijzen of cliënt een concreet beroep kan doen op andere wetten. Kan een cliënt een beroep doen op een wettelijke voorziening, die niet is genoemd in artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015, dan kan van cliënt toch worden gevraagd hierop een beroep te doen, vanuit de eigen kracht (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Zorgverzekeringswet (Zvw) Verpleging of verzorging is een aanspraak op grond van de Zvw. Een cliënt kan een beroep doen op deze wet als sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg of een verhoogd risico hierop. Voor wat betreft hulp bij maaltijden en persoonlijke verzorging is vaak de vraag of hiervan sprake is. Bedacht moet worden dat het vaak gehanteerde motto dat de Wmo enkel aan zet is als het gaat om ondersteuning met ‘handen-op-de-rug’ geen juist criterium is. Ook is niet van belang of het gaat om lijfsgebonden zorg. Zie in dit verband de Informatiekaart Wmo 2015 en Wijkverpleging van het Ministerie van VWS. Dit betekent praktisch gezien dat een cliënt enkel kan worden verwezen naar de Zvw na afstemming met de wijkverpleging. Over hulp bij maaltijden heeft het Ministerie van VWS een specifieke pagina in het leven geroepen: https://www.informatielangdurigezorg.nl/volwassenen/maaltijdvoorziening Wet langdurige zorg (Wlz) Als een cliënt recht heeft op verblijf met zorg op grond van de Wlz, dan kan het college een maatwerkvoorziening weigeren (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Uitzondering hierop vormen de voorzieningen genoemd in artikel 8:6a Wmo 2015. Het gaat hierbij om hulpmiddelen en woningaanpassingen voor cliënten die thuis wonen. Met thuis wonen wordt bedoeld dat zij hun Wlz-indicatie verzilveren via een pgb, volledig pakket thuis (VPT) of modulair pakket thuis (MPT). Ondanks dat de gemeente niet verplicht is om een maatwerkvoorziening te verstrekken aan een Wlz-gerechtigde, is ze hier wél toe bevoegd. De gemeente kan er in bepaalde situaties dus wel voor kiezen om aan een cliënt die Wlz-zorg ontvangt, aanvullend ondersteuning vanuit de Wmo te verstrekken. Dat de gemeente deze bevoegdheid heeft, betekent volgens de CRvB dat ze altijd zal moeten bekijken of ze hiervan gebruik maakt. Daarvoor is het noodzakelijk dat het college onderzoek heeft gedaan naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt (CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3933, CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4226 en CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4305). Naar verwachting is in veel gevallen de uitkomst van het onderzoek, dat de ondersteuningsvraag van de cliënt voldoende is opgelost met de zorg die vanuit de Wlz wordt geboden. Als er recht op zorg op basis van de Wlz bestaat, is de gemeente, voor de onderdelen die het betreft, niet verplicht maatschappelijke ondersteuning te bieden. Het kan echter voorkomen dat er een ondersteuningsbehoefte resteert, die niet door de Wlz wordt gedekt. Dit kan met name bij begeleiding (gericht op participatie), sportvoorzieningen en het bezoekbaar of logeerbaar maken van woningen het geval zijn. Aanspraak op Wlz-indicatie Als er redenen zijn om aan te nemen dat een cliënt aanspraak kan maken op een Wlz-indicatie, dan kan dit eveneens een reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). De gemeente zal daartoe moeten aantonen dat cliënt voldoet aan de Wlz-criteria en hiervoor is het inwinnen van medisch advies onvermijdelijk. Voorbeeld: Een cliënt op leeftijd maakt gebruik van dagbesteding en huishoudelijke hulp (schoonmaak, hulp bij maaltijden). Verder is er hulp bij de persoonlijke verzorging vanuit de wijkverpleging. Cliënt is al vaker verward op straat aangetroffen. De familie wil geen Wlz-indicatie aanvragen, vanwege de hoge bijdrage in de kosten. De gemeente kan medisch advies opvragen om te beoordelen of een cliënt voldoet aan de Wlz-criteria, en afstemming zoeken met CIZ. Participatiewet Het hebben van werk betekent dat een cliënt een daginvulling en een inkomen heeft. Als een cliënt dus beschikt over arbeidsmogelijkheden, dan heeft de gemeente vanuit de Participatiewet mogelijkheden om een cliënt te re-integreren in het arbeidsproces. Maar de Participatiewet biedt ook mogelijkheden voor beschut werk. Het uitgangspunt is dat als vastgesteld is dat iemand beschikt over arbeidsvermogen, hij van die mogelijkheden gebruik maakt en er geen dagbesteding wordt toegekend. Bedacht moet wel worden dat niet alle re-integratietrajecten een daginvulling vormen voor een cliënt. In die situatie zal cliënt mogelijk toch (tijdelijk) aangewezen zijn op dagbesteding vanuit de Wmo. Dagbesteding kan soms ook tijdelijk worden ingezet, als opstap naar regulier of beschut werk.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel