De belanghebbende moet de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, van de wet, bij het college inleveren. Het college beschouwt die overeenkomst als een commerciële relatie als:
de wederzijdse rechten en verplichtingen er nauwkeurig in zijn afgebakend;
er een commerciële prijs, als bedoeld in artikel 4 of artikel 5, is overeengekomen;
in de overeenkomst een periodieke verhoging van de prijs is afgesproken; en
de belanghebbende kan aantonen dat de commerciële prijs wordt betaald (bankafschriften/betalingsbewijzen van meerdere maanden).
Hoofdstuk 2.
Artikel 2.1.