Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.
Het college kan in ieder geval nadere regels stellen ten aanzien van:
het verstrekken van de soort vergunning;
het aantal te verlenen vergunningen;
het toewijzen van specifieke weggedeelten voor parkeren;
het vaststellen van tijdstippen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan;
de beschikbaarheid van alternatieve parkeermogelijkheden.
Een vergunning kan worden verleend aan:
een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn.
een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren.
Naast de in het derde lid bedoelde vergunningen kan het college de volgende vergunningen verlenen:
een bezoekersvergunning voor bezoekers van bewoners woonachtig in een vergunningengebied;
een bezoekersvergunning voor bezoekers van functies en bestemmingen in een vergunningengebied;
een mantelzorgvergunning;
een vrijwilligersvergunning.
De bezoekersvergunning voor bezoekers van functies en bestemmingen in een vergunningengebied en de vrijwilligersvergunning geldt niet voor de binnenstad.
De in het vierde lid bedoelde specifieke vergunningen geven de houder een parkeerrecht om gedurende een vastgesteld aantal uren per maand tegen een gereduceerd tarief als neergelegd in de tarieventabel behorende bij de verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen een motorvoertuig te parkeren.
Het college kan andere categorieën dan genoemd in het derde en vierde lid benoemen aan wie onder nader door het college te bepalen voorwaarden eveneens een vergunning kan worden verleend.
De eigenaar of houder van een voertuig die voldoet aan zowel de voorwaarde gesteld in het derde lid onder a en b wordt voor wat betreft de eerste aangevraagde vergunning geacht te beantwoorden aan de onder a genoemde voorwaarde.
Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.
Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen.
Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.