Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Paragraaf 2.

Artikel 16.

Inspreekrecht Inwoners

Onderdeel van Verordening op de Raadscommissies 2020

1.. Na de opening van de vergadering kunnen inwoners in totaal gedurende maximaal dertig minuten het woord voeren over geagendeerde onderwerpen. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden over: onderwerpen die niet op de agenda staan; over een voorstel aan de raad dat is voorbereid met toepassing van afd. 3.4. Awb; benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen. 3.. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. 4.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5.. Elke spreker krijgt ten hoogste vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale duur van de spreektijd. 6.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De voorzitter kan de deelnemers aan de commissievergadering toestaan aan insprekers een korte, verhelderende vraag te stellen. Er vindt geen discussie plaats tussen een inspreker en deelnemers van de vergadering. 7.. De voorzitter of een lid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de inspreker. De voorzitter kan de spreker een tweede termijn geven.

Rechtspraak bij dit artikel