Bij het snoeien van bomen wordt onderscheid gemaakt tussen begeleidingssnoei en onderhoudssnoei. Begeleidingssnoei gebeurt in de jeugdfase van de boom. Op grond van de Wegenverkeerswet moet er een obstakelvrije ruimte zijn boven wegen en paden. Bomen in parken, bossen en brede plantsoenen hoeven dus niet opgekroond te worden. De minimale doorrijhoogte is bij autowegen 4 m 60, boven de overige wegen en straten 4 m 20 en boven voet- en fietspaden 2,5 m. Met begeleidingssnoei moet daarom een takvrije stam gecreëerd worden. Hierbij moet rekening gehouden worden met het gegeven dat takken op latere leeftijd 2 tot 3 m kunnen doorbuigen. Vandaar dat voor straat- en laanbomen een takvrije stam van 6 tot 8 m aangehouden wordt. Hiervoor zijn meerdere snoeibeurten nodig. Over het algemeen is het verstandig de bomen om de bomen om de 2 à 3 jaar te snoeien en dan per snoeibeurt niet meer dan 20% van het bladvolume te verwijderen. De verhouding stam:kroon is idealiter 1:2 en minimaal 1:1.
Hoofdstuk 3.
Artikel 4.4