De soortkeuze is afhankelijk van meerdere factoren. Het groenstructuurplan geeft onder meer de grootte van de aan te planten bomen aan. Er worden bomen van de eerste, tweede of derde grootte aangeplant afhankelijk van de locatie en functie.
1ste grootte: bomen die groter dan 15 meter hoog kunnen worden;
2de grootte: bomen die tussen 10 en 15 meter hoog kunnen worden;
3de grootte: bomen die kleiner dan 10 meter worden.
Grotere bomen worden aangeplant in het buitengebied of om aan te geven dat een bepaalde weg een belangrijke functie heeft. Dit is wenselijk langs een doorgaande of ontsluitingsweg en op een markante locatie in het centrumgebied (als de ruimte het toelaat). In de woonwijken of kleinere straten worden vaker (iets) kleinere bomen toegepast.
Bepalende factoren bij de keuze van een optimale boomsoort zijn: ontwerp, functie, beschikbare ruimte, grondsoort, vochtgehalte van de bodem en verschillende onderhoudsaspecten. Bijvoorbeeld langs parkeerplaatsen zijn de bomen met grote of zware vruchten of druipende eigenschappen niet wenselijk.
Het is belangrijk om de diversiteit van de bomen te behouden. Het is wenselijk dat de straten verschillend en herkenbaar zijn. Biodiversiteit betekent ook minder kans op ziektes en plagen.
Hoofdstuk 4.
Artikel 5.1