Naar hoofdinhoud
Bij de vaststelling van het vermogen en inkomen houdt het college rekening met de volgende vrijlatingen: De vermogensgrens zoals wordt vastgesteld conform de bepaling in artikel 34 van de wet. De in artikel 31 lid 2 van de wet genoemde middelen. Daarnaast is er bij de aanvraag voor bijzondere bijstand en heronderzoeken een extra vrijlating van het saldo op de lopende rekening van toepassing in verband met lopende uitgaven. Dit bedrag wordt vastgesteld op 1,5 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. Er geldt een extra vermogensvrijlating voor uitvaartkosten, ter hoogte van het bedrag dat door de Belastingdienst wordt gehanteerd als aftrekpost voor de vaststelling van de nalatenschap, voor zover: voor de kosten van de uitvaart geen dekkende verzekering is afgesloten; het bedrag gestort is op een depositorekening bij een begrafenisonderneming; het bedrag uitsluitend gebruikt kan worden voor uitvaartkosten; het bedrag tussentijds niet opvraagbaar is; de rente jaarlijks wordt bijgeschreven op de depositorekening. Het vermogen in de eigen woning, bedoeld in artikel 50 lid 1 van de wet, telt niet mee voor de bepaling van het vermogen, voor zover dit vermogen minder bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 34 lid 2 sub d van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel