Laaggeletterdheid:
Het niet beheersen van één of meer Nederlandse taal- en/of rekenvaardigheden op een niveau gelijk aan of hoger dan het referentieniveau 2F zoals vastgesteld in het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;
Basisvaardigheden:
Taal-, reken- en digitale taalvaardigheden;
Taalvaardigheden:
Mondelinge taalvaardigheid, lezen en schrijven;
Rekenvaardigheden:
Getallen, verhoudingen, meten en meetkunde, of verbanden;
Digitale vaardigheden:
Het kunnen gebruiken van digitale toepassingen die, in het dagelijks leven, als algemeen gebruikelijk worden gezien, zoals:
•
ICT-systemen gebruiken waaronder kunnen werken met internet;
•
Mediawijsheid;
•
Informatieverwerking.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.6
Artikel 3.6.1